A. J. P. TAYLOR (1906-1990); Historische provo

Produktief, controversieel, origineel en radicaal was hij zeker, maar hoe blijvend zijn bijdrage aan de geschiedschrijving van de negentiende en twintigste eeuw werkelijk is, zal toch later moeten blijken. A. J. P. Taylor, die gisteren op 84-jarige leeftijd in Londen overleed, was in ieder geval een van Engelands meest dierbare rebellen van deze eeuw.

Toen hij begin 1984 door een auto in Soho was geschept en zijn heup had gebroken, begon Alan John Percivale Taylors onontkoombare, door de ziekte van Parkinson niet veraangenaamde tocht naar het einde. Zijn Hongaarse vrouw Eva leende hem de arm waaraan hij schuifelde door Noord-Londen. Voorbij waren de bejubelde televisie-lezingen waarin hij de gevestigde opvattingen over het verleden (en als het zo uitkwam het heden) wegveegde met een provocerende tirade, de strikdas als propellor van zijn spotzucht. Zelden zag hij nog kans als recensent een nieuw boek aan zijn rapier te rijgen in een van de zondagsbladen. Afgelopen was het zeker met de door hem zo gekoesterde zwerftochten met de kleinkinderen uit zijn eerste twee huwelijken door het Lake District de voorliefde voor de wilde trek door deze miniatuur Alpen aan Engelands Noordwest kust vormen de bijna volmaakte metafoor voor de verzetsdenker die op haast conventionele wijze past binnen de traditie van de Engelse 'dissenters', of 'Troublemakers', zoals zijn favoriete bundel niet toevallig heet.

Taylors quaker-jeugd, de speelse linksigheid van zijn vader (die op het goede moment de textielfirma van de familie voor een goede prijs van de hand had gedaan) en het vechtjasserige van zijn vrijgevochten moeder bepaalden de koers die hij zonder merkbare neiging tot rebellie zou blijven volgen. A. J. P. Taylor studeerde briljant af als historicus in Oxford, haastte zich weg van het advocatenkantoor van zijn oom, en kwam via de universiteit van Manchester terug als docent in Oxford. Een professoraat zat er niet in. Toen Hugh Trevor Roper in 1956 wel Regius-professor werd schreef hij A. J. P. dat, ware de uitslag andersom geweest en Taylor op de leerstoel terecht gekomen, de juiste man op de juiste plaats zou hebben gezeten. Waarop Taylor terugschreef het daarmee eens te zijn.

In 'An Old Man's Diary' (1984) laat hij blijken zichzelf niet permanent serieus te nemen. Maar toen had hij ook al het nodige aangericht. Hij deed zich graag voor als een 'vertellend historicus': 'Geschiedenis gaat over wat er daarna gebeurde, en soms over de vraag: waarom?' In werkelijkheid waren zijn boeken zo leesbaar omdat hij de hoofdrolspelers met meedogenloze verbale precisie over het podium van de wereldgeschiedenis dreef, opinierend in iedere zin. Dat leverde weinig problemen op zolang Taylor schreef over het Italiaanse probleem in de Europese diplomatie of de Habsburgers. De grootste heisa ontstond over zijn 'Oorsprongen van de Tweede Wereldoorlog' (1961), waarin het daderschap van Hitler werd gerelativeerd: 'Wat hij dan ook individueel aan kwaad mag hebben bijgedragen, in internationale aangelegenheden was er niets verkeerd aan Hitler, behalve dat hij een Duitser was'. Deze later door Taylor meermalen herhaalde visie heeft veel stof doen opwaaien, maar de geschiedenis-wereld niet veroverd. Over Taylors stelling dat Hitler de oorlog had verloren omdat iemand hem toch moest verliezen schreef De Utrechtse historicus Von der Dunk in deze krant: 'Leuk gezegd, zoals veel leuks dat Taylor zegt, maar helaas aperte kolder'.

Blijvend respect oogstte Taylor meer met zijn Geschiedenis van Engeland 1914-1945 en de biografie van zijn vriend de persmagnaat Lord Beaverbrook. A. J. P., zoals hij in veel huiskamer heette, zwijgt. Maar Engeland herinnert zich deze orator met zijn 'extreme views weakly held' als een unieke geschiedkundige provo, de nationale docent oneerbiedigheid.