Vuurtorens met spiegels en lampen

Heel wat zeelieden danken hun behouden thuiskomst aan onze kustverlichting. Lichtschepen, vuurtorens en lichtboeien maken het mogelijk de kust te verkennen en veilig de haven binnen te lopen.

De vroegste lichtbakens waren houtvuren; in 1280 stond er al een in Den Briel. In 1818 hadden we aan onze zeekust negen vuurbakens (drie met dubbel vuur). Daarnaast waren er dertig 'binnenvuren'. Men stookte toen vooral steenkool.

Voor kleinere lichten (havenhoofden) gebruikte men kaars- en olielantaarns. De zichtbaarheid was gering. Een grote vooruitgang was de olielamp van Argand (1792). Deze gaf veel meer licht en werd voor een parabolische spiegel geplaatst voor een krachtige, maar nauwe, lichtbundel. Voor een rondstralend licht nam men meer lampen, elk met eigen reflector. Westkapelle (1818) had er vijftien. Een andere oplossing was, de spiegel rond de lamp te laten draaien. Daarmee kon ieder kustlicht een eigen karakter krijgen. Verschillende omlooptijden maakten elk licht herkenbaar.

Effectiever dan een draaiende spiegel was de Fresnel-lens. Men kent de trommellens, rondom de lamp (voor een rondstralend licht); en de bundellens, die een gerichte bundel maakt. Rond een lamp kunnen meerdere bundellenzen staan. Laat men die rond de lamp draaien dan wordt een karakteristiek lichtkarakter verkregen. Bij een trommellens kon dat overigens ook, door een gordijnsluiter rond de lamp te draaien.

Een trommeloptiek met Fresnel-lens bestaat uit drie delen. Het middendeel heeft lensvormige ringen (het diopter); aan boven- en onderzijde zijn de catadiopters (prisma-ringen) aangebracht. Deze bundelen een groot deel van het licht dat onder meer dan 33 graden met de horizontaal door de lamp wordt uitgestraald, en brengen dit in de horizontale bundel. Dat vergroot de lichtsterkte. In Nederland stond de eerste Fresnel-lens (een bundel-type) op de Terschellinger Brandaris (1835). Rond 1890 kwam met het gaslicht een nieuwe lichtbron in gebruik. Auers gaskousje vergrootte de lichtopbrengst van een gasvlam tot bruikbare waarden. Eerst verbrandde men vergaste petroleum; later pharoline (terpentine); nog weer later gebruikte men acetyleengas of Blaugas. Vanaf 1935 propaangas en dit wordt nog steeds gebruikt.

Elektrische verlichting was de volgende stap. Men begon in 1907 met koolspitsbooglampen. Die zijn uiterst lichtsterk, maar ze vereisen (net als olie- en gaslicht) voortdurend toezicht. Gewone gloeidraadlampen zijn niet geschikt, het lichtlichaam is te uitgestrekt, de helderheid te gering. De uitvinding van de gasgevulde spiraaldraadlamp bracht een oplossing. Vanaf 1917 werd in het Proefstation van 's Rijkskustverlichting samen met Philips een lange-levensduur 'toezichtloze' gloeilamp ontwikkeld. Pas rond 1970 werd de gloeilamp op plaatsen waar hoge lichtsterkte werd gevraagd, op economische gronden vervangen door hoge druk kwikjodide lampen. Xenon lampen, die dezelfde lichtsterkte halen als booglampen, worden alleen in mistlichten gebruikt. De meeste lichtboeien hebben gloeilampen, die uit batterijen, zonnepanelen en/of accu's worden gevoed.

In Scheveningen, op het Directoraat-Generaal Scheepvaart en Maritieme Zaken bij de Hoofdafdeling Logistiek en Vaarwegmarkering hebben ze een pracht-collectie spullen uit heden en verleden van de kustverlichting. Tot tien jaar geleden stond die opgesteld op een zolder, het 'Museum'. Toen ze naar een nieuw gebouw verhuisden is die collectie grotendeels de kast ingegaan. Wel staan er op verschillende plaatsen in het nieuwe gebouw fraaie voorbeelden. Ze hebben er olie-, gas- en elektrische optieken, in bundel- en trommelvorm, afkomstig van torens en lichtschepen. Maar ook veel van het kleinere spul is bewaard. Gaskleppen, elektronische sturingen van boeilichten. De collectie is gedocumenteerd, maar niet echt toegankelijk. Er wordt gespeeld met de gedachte in de Scheveningse vuurtoren (bij Monumentenzorgers bekend vanwege zijn opbouw uit gietijzeren elementen) een soort museumpje in te richten. Maar de financiering is een probleem. Er wordt nog gezocht naar middelen.