Voor drinkwater is mest nog decennia lang een bedreiging

RIJSWIJK, 7 sept. 'Met die hele mestregelgeving is voor de bodembescherming, die weer zo belangrijk is voor de drinkwatervoorziening, tot nu toe niets bereikt. De toestand is eerder verslechterd dan vooruitgegaan.' Ir. Th. G. Martijn, directeur van de Vereniging van Exploitanten van Waterleidingbedrijven in Nederland (VEWIN), lucht zijn hart aan de vooravond van het mestdebat in de Kamer. Hij zou willen dat de regels aanzienlijk worden aangescherpt en dat er naast een fosfaat- ook een nitraatnorm in de wet wordt opgenomen. 'Want voor ons is nitraat de probleemstof bij uitstek.' Het Nederlandse kraanwater wordt voor ongeveer twee derde deel bereid uit grondwater: een bron die evenals het oppervlaktewater in de loop der jaren zwaar bezoedeld is geraakt. Naast bestrijdingsmiddelen zijn het vooral nitraten een verzamelnaam voor stikstofverbindingen die de ondergrondse voorraad aantasten. Ze sijpelen gestaag naar beneden uit de drijfmest die de boer per gierkar over zijn land verspreidt.

Een meer dan normale hoeveelheid van die stof in het drinkwater is nadelig voor de gezondheid. Extreem hoge concentraties kunnen het lichaam zelfs ernstig schaden. Bij zuigelingen die via de fles nitraatrijk voedsel krijgen, kan blauwzucht optreden, dat wil zeggen dat dat de slijmvliezen blauw kleuren door zuurstofgebrek. Dit kan weer leiden tot hersenletsel met als gevolg stoornissen in de motoriek. Het verschijnsel van de 'blauwe baby's heeft zich, voor zover bekend, sinds de Tweede Wereldoorlog in Nederland niet meer voorgedaan, maar de kans dat de ziekte via het leidingwater opnieuw toeslaat is niet geheel uit te sluiten.

Het produkt dat de drinkwatermaatschappijen hun klanten aanbieden, mag volgens de heersende norm, die weer berust op een richtlijn van de EG, niet meer dan 50 milligram nitraat per liter bevatten. In het recente verleden werd bij twee pompstations, in het Gelderse Montferland en het Limburgse Reuver, die grens overschreden. Door de besmette vloeistof met water uit andere putten te mengen, kon men nog een deugdelijk artikel blijven leveren. Circa zestig winplaatsen in het oosten en zuiden des lands, een kwart van het totaal, dreigen in de kritieke zone te belanden: de kans bestaat dat ze na verloop van tijd een vloeistof leveren die niet meer aan de officiele eisen voldoet.

Tegen die achtergrond verzucht ir. Martijn: 'De emissie van stikstof ofwel nitraat naar bodem en grondwater is de laatste jaren eerder toe- dan afgenomen en dat komt in de eerste plaats omdat de mestnormen op fosfaat en niet op nitraat zijn gebaseerd. Die leemte in de wet moet hoognodig worden opgevuld. Een ander deel van de stijging valt te verklaren uit het feit dat het gebruik van stikstofhoudende kunstmest niet aan beperkingen onderhevig is.'

Het beleid van minister Braks en zijn ambtenaren is er deels op gericht de mestoverschotten, die vooral in Brabant, Noord-Limburg en Gelderland onstaan en nog dagelijks groeien, over het hele land te verdelen. Volgens Martijn betekent dit een gevaar voor relatief schone landbouwgebieden in Friesland, Drenthe, Groningen en Zuid-Limburg, die in de terminologie van het departement 'tekortgebieden' heten. De VEWIN-directeur: 'Juist in die streken is de drinkwatervoorziening vrijwel geheel afhankelijk van schoon grondwater en daarom dringen wij er sterk op aan hier het 'standstill'-beginsel toe te passen. Met andere woorden: er mag niets meer bijkomen.' Het gaat trouwens niet om nitraat alleen. Ook andere schadelijke stoffen die zich uit de mest losmaken verdienen aandacht, in het bijzonder kalium en zware metalen. In alle gevallen geldt dat de effecten van wat zich aan de oppervlakte afspeelt, pas na decennia in de diepte merkbaar zijn. Dat betekent dat het grootste deel van de vervuiling nog 'onderweg' is naar de waterreservoirs; het is een sluipend, maar daarom niet minder onheilspellend proces.

De industriele mestverwerking ter vermindering van de overschotten biedt volgens Martijn geen of in elk geval onvoldoende uitkomst: 'De huidige capaciteit van 200.000 ton mest, die overigens niet volledig wordt benut, dient in vier jaar tijd uit te groeien tot ruim zes miljoen ton. Misschien is het mogelijk dit streven door een gigantische inspanning en technologische doorbraken te halen, maar het komt ons bij de huidige stand van zaken naief voor om alle kaarten op die mogelijkheid te zetten.' Waarna ook hij, zoals zovelen buiten de agrarische sector, bij die andere optie belandt: inkrimping van de veestapel. Of in het gangbare jargon: 'Zodra blijkt dat de mestverwerking te kort schiet, dienen volumereducerende maatregelen te worden getroffen.'

Als ijkdatum daarvoor zou niet 1 januari 1995 moeten gelden, zoals de rijksoverheid zich heeft voorgenomen, maar 1 januari 1993.