Tien WC's voor tienduizenden vluchtelingen

RUWEISHED, 7 sept. In het kamp in het niemandsland tussen Irak en Jordanie ligt overal afval dat niet wordt opgeruimd of opgehaald. Kriskras door elkaar staan tenten en geimproviseerde onderkomens, opgebouwd uit koffers, dekens en allerhande lappen stof. Vele vluchtelingen hebben zelfs zo'n provisorisch tentje niet en moeten onder auto's of onder de blote hemel slapen. Er zijn niet meer dan tien primitieve toiletten voor de tienduizenden vluchtelingen, al wordt gewerkt aan een uitbreiding tot twintig. Rondom het kamp ligt de grond over honderden meters bezaaid met menselijke uitwerpselen. 'Dit kan niet zo doorgaan, straks worden we allemaal ziek', zegt een vluchteling uit Bangladesh, die er al bijna twee weken zit. 'Dan wordt het hier een drama.' Door gebrek aan water, voedsel, tenten en sanitaire voorzieningen verkeren veruit de meeste van de ongeveer 72.000 Aziatische vluchtelingen die hier zijn gestrand in een erbarmelijke situatie. Internationale hulporganisaties en de Jordaanse autoriteiten breiden het aantal opvangkampen uit, in de verwachting dat de vluchtelingenstroom verder zal groeien. Maar hoeveel vluchtelingen zich nog aan de Iraakse kant van de grens bevinden is in Jordanie onduidelijk. In het grootste van de drie kampen zitten zo'n 62.000 Indiers, Bengalen, Sri-Lankezen, Pakistani en Filippijnen dicht op elkaar in de stoffige woestijn. Overdag hebben ze niet genoeg beschutting tegen de brandende zon, 's nachts niet genoeg dekens om zich warm te houden. Voor hun dagelijkse rantsoen aan voedsel en drinkwater (van slechte kwaliteit) moeten ze urenlang in de rij staan, waarbij de spanningen zich soms ontladen in vechtpartijen, onderling of met de hard optredende Jordaanse militairen.

De vluchtelingen wachten op toestemming om Jordanie in te reizen. Maar dat land laat slechts zoveel mensen toe als er onmiddellijk kunnen worden gerepatrieerd. Egyptenaren hoeven daarom niet in het kamp te wachten, want de lucht- en veerdienst vanuit de haven van Aqaba garandeert een snel vertrek uit Jordanie. Maar de luchtbrug die de Aziaten moet thuisbrengen heeft een veel te beperkte capaciteit.

In bussen, personenauto's en op vrachtwagens komen dagelijks duizenden uit Koeweit afkomstige Aziaten de 70 kilometer brede strook niemandsland vanuit Irak binnen. Het zijn de buitenlandse werknemers die in de economie van Koeweit zo'n belangrijke rol speelden: hotelpersoneel, verpleegsters en dienstmeisjes uit de Filippijnen, elektriciens uit India, bouwvakkers uit Pakistan, schoonmakers uit Bangladesh en boekhouders uit Sri Lanka. Ze zeggen Koeweit te hebben verlaten wegens het tekort aan voedsel en water of omdat ze niet meer werden betaald en hun banen ophielden te bestaan. Maar ook velen zeggen te zijn gevlucht voor het steeds gewelddadiger optreden van de Iraakse bezettingstroepen. 'Ze vielen zo maar huizen binnen, en namen alles mee wat ze hebben wilden. Ze verkrachtten vrouwen en plunderden, het werd steeds erger', vertelt een groep Punjabi.

Een van hen heeft zijn auto moeten afstaan, een ander zag zich van al zijn elektronica beroofd. Met achterlating van al hun banktegoeden en bijna al hun bezittingen besloten verscheidene Bengali tien dagen geleden per bus te vluchten. Een Filippijnse kok van een groot hotel in Koeweit arriveert met vrouw en kind en Jordaanse chauffeur in zijn eigen Mercedes. Na de Iraakse invasie was hij aanvankelijk nog in Koeweit gebleven. 'Ik probeerde het de hoge Iraakse militairen die zich in ons hotel vestigden zo goed mogelijk naar de zin te maken. Maar we hielden het niet uit. Mijn vrouw werd lastig gevallen door Iraakse soldaten, er werd geplunderd.'

De man kan nog niet geloven dat hij zich moet voegen bij de massa wachtenden in de woestijn. 'Ik hoor niet bij die Indiase sloebers', roept hij vergeefs. De maatschappelijke status die de vluchtelingen een dikke maand geleden hadden, lijken ze te hebben meegenomen naar dit niemandsland. Managers van bedrijven ontpoppen zich nu als groepsleider, en wie veel geld had bivakkeert nu naast zijn auto achter een haag van Samsonite-koffers en kookt op een meegebracht butagasstel. Veel Filippijnen lopen rond in dure merkkleding, als verdwaalde toeristen. De armsten, veel Pakistani, Indiers en vooral Bengalen, hangen lusteloos bij hun schamele boeltje of zoeken in de wijde omtrek van het kamp naar stekelige woestijnstruikjes waarmee ze een vuurtje kunnen stoken. Wie als buitenstaander tussen de chaotische verzameling tenten, rotzooi, bagage en mensen loopt regelmatig opgeschrikt door de elektronische piepjes van de digitale horloges van de vluchtelingen wordt voortdurend aangesproken ('Wat is de oplossing voor ons probleem?') en uitgenodigd om onder de beschutting van een tentdoek te komen luisteren naar de doorstane belevenissen of te delen in het schamele maal.

Rivaliteit

Tussen de verschillende nationaliteiten bestaat een sterke rivaliteit. 'De Indiers zijn zo rumoerig', klaagt een Filipijnse. 'De Bengalen dringen voor bij de voedseluitdeling', zegt een Indier. 'Groepen van alle nationaliteiten vertrekken naar Amman', verzucht een Bengaal, 'maar niemand bekommert zich om ons'. Voor zover in het kamp van enige organisatie sprake is, is die in handen van de Jordaanse Rode Halve Maan, bijgestaan door het Internationale Rode Kruis (ICRC) en het Jordaanse leger. Vijf artsen en zes verpleegsters houden de hele dag spreekuur in een grote tent. 'De grootste problemen zijn uitdroging, diarree en schorpioenebeten', zegt dokter Mohamed Siag. 'Daarnaast zijn er de psychische problemen. De mensen moeten zo snel mogelijk naar huis worden gebracht'.

Hij gelooft niet dat van echte honger sprake is in het kamp 'de mensen verkeren in een uitstekende conditie toen ze hier kwamen'.

Dat honger niet het grootste probleem is blijkt ook uit de oude broden die hier en daar op vuilnishoopjes liggen en ook worden gebruikt als brandstof om op te koken. 'Maar de situatie is wel erg gespannen', zegt de arts, 'gisteren kwam een demonstratie hier voor onze tent. 'We willen eten voor onze kinderen', schreeuwden ze.' 's Morgens om negen uur is de uitdeling van het rantsoen in volle gang. Zo'n twee kilometer buiten het kamp staat een enorme vrachtwagen waarheen zich twee immens lange rijen slingeren de langste voor de mannen, de kleurrijkste voor de vrouwen van wie er velen in sari gehuld gaan. Soldaten met houten stokken zien erop toe dat de volgorde enigszins wordt gerespecteerd, maar spontaan ontstaanvoortdurend nieuwe rijen. Wie zich losmaakt uit de rij en aanstalten maakt voor te dringen wordt uitgejoeld. Als een soldaat een voordringer een stevige mep verkoopt, kinkt instemmend gemurmel en gelach op. Wie na een paar uur in de brandende hitte eindelijk aan de beurt is, krijgt twee pannekoekachtige broodjes en een bakje yoghurt, verstrekt door de Jordaanse overheid. 'Maar soms is het al op voor je aan de beurt bent', vertelt een Indier boos. 'Gisteren werd er gevochten toen het eten op was'.

Zakenlieden

Op ten minste vijf plaatsen buiten het kamp staan handige zakenlieden onder militaire bescherming koekjes, blikjes fris en flessen mineraalwater te verkopen tegen woekerprijzen. Hier zijn de rijen niet langer dan een man of tien. 'Gisteren werd een van die handelaren bijna gelyncht', vertelt een Nederlandse arts van een naburig kamp, die er getuige van was hoe de man de woedende menigte nog juist wist te ontkomen. Aan de weg van het grote kamp richting Jordaanse grens ligt een spiksplinternieuw tentenkamp, waarheen dezer dagen enkele duizenden Bengalen uit het overbevolkte eerste kamp zullen worden overgebracht. Nog verder tegen de Jordaanse grens aan ligt een betrekkelijk klein kamp (10.000 vluchtelingen) dat vergeleken met het eerste wel een vakantiecamping lijkt. 'Club Mediterranee met Medecins sans Frontieres', schertst een van de medewerkers van Artsen zonder Grenzen, de instelling die dit kamp heeft opgezet en leidt. De organisatie van de nederzetting is sterk hierarchisch: elke tent kiest een vertegenwoordiger, elke vijf vertegenwoordigers kiezen ook weer hun voormannen die op hun beurt een leider kiezen voor de nationale groep. De verschillende bestuurslagen vergaderen dagelijks, over zaken als het eten, de lijst van namen en volgorde van evacuatie en het waterverbruik (Wij zijn wel zuinig, maar de Filippijnen verkwisten zoveel', mopperen Bengaalse vertegenwoordigers op hun vergadering). Op de ochtendvergadering van Bengalen klaagden de tenthoofden over het watertekort. Maar de Franse arts Christophe Dupont ontkent pertinent dat er te weinig water is. 'Jullie zijn in je land gewend veel water te gebruiken. Hier zijn we in de woestijn en kan je niet elke dag je kleren wassen. Ik heb in veel landen gewerkt, maar nog nergens zoveel water gehad als hier.' 's Nachts is het rustig in dit kamp. Rumoerig wordt het alleen even als een bus met Sri-Lankaanse vrouwen uit Irak arriveert. Als het weer licht is blijken ze in het maanlicht van hun koffers een groot carre te hebben gebouwd, waarbinnen ze samen de koude nacht hebben doorgebracht.