TI: Kraspoekol en het toetoepstelsel; Toneelstuk overslavernij in Nederlands-Indie

Tijdens het Rotterdamse Theaterfestival wordt op 13 september Dirk van Hogendorps toneelstuk Kraspoekol voorgelezen. Bijna twee eeuwen eerder, in 1801, moest de premiere al na het eerste bedrijf worden afgebroken door het voortdurende gefluit van de 'aanhangers van de Indische lobby'. Wie waren deze bezoekers van de premiere die de opvoering verhinderden van Kraspoekol, een stuk over een Indische slavin die haar wrede eigenares vermoordt? 'Het waren oud-Indischgasten, vertegenwoordigers van het eeuwige ploertendom dat steeds geprobeerd heeft publikaties over koloniale onmenselijkheden te verhinderen.' 'Het stuk is kinderlik romanties, tegelijk onhandig en uitbundig, maar het volgt, tot de geslaakte kreten, het voorbeeld trouwer dan men mogelik zou achten. Slechts in het begin van de derde akte ziet Dirk zich genoodzaakt enige scenes van eigen vinding in te lassen en wij krijgen het goedkope maar niet ongrappige bezoek van de Edeleer Champignon.' Zo beschrijft Du Perron in Indies memorandum de toneelbewerking die Dirk van Hogendorp in 1800 maakte van de novelle Kraspoekol of de Slaaverny, twintig jaar eerder geschreven door zijn vader Willem van Hogendorp (ook de vader van de later beroemde staatsman Gijsbert Karel van Hogendorp, Dirks jongere broer). Op 13 september, dat wil zeggen bijna twee eeuwen later, zal tijdens het Theaterfestival van dit stuk een 'voorlezing' plaatsvinden, die wat grandioos wordt aangekondigd als 'een uitgestelde wereldpremiere'. Er wordt een opname van gemaakt die op 24 november door de KRO-radio wordt uitgezonden.

Het is waar dat de oorspronkelijke 'wereld'-premiere, op vrijdag 20 maart 1801 in Den Haag, door aanhangers van een soort Indische lobby onmogelijk werd gemaakt. De opvoering werd afgebroken na het eerste bedrijf. Du Perrons omschrijving is in grote trekken juist, het viel mij bij lezing eigenlijk nog mee. Onhandig en 'kinderlik romanties' zijn voor een twintigste-eeuwse lezer bijna alle stukken uit die tijd, maar Kraspoekol bevat desondanks een paar verrassingen. Wat mij bijvoorbeeld frappeerde is hoe Van Hogendorp of misschien moet men zeggen: de Van Hogendorps, pere et fils, er in slaagden een bepaald dilemma duidelijk te maken, namelijk hoe iemand die rechteloos is, verweten wordt 'het recht in eigen handen te nemen', als hij in verzet komt, ook wanneer iedereen het er over eens is dat hij eigenlijk gelijk heeft. Zo moesten ontevreden Japanse boeren, zelfs wanneer zij niet meer deden dan een smeekschrift aanbieden, in ieder geval zelfmoord plegen, hoe gerechtvaardigd hun bezwaren ook mochten zijn.

Ook de omkering van deze morele paradox komt in het stuk voor: een slaaf die belooft zijn uiterste best te doen en zijn meesteres in alles te gehoorzamen, krijgt te horen: maar dat moet je toch al, je hebt helemaal geen keus: 'wij zullen in alles uw zin doen' 'Ha, dat moet gij buiten dien doen; daar voor zijt gij slaaven.' Weer een andere wonderlijke paradox (of misschien een bijzondere versie van dezelfde) is de paradox van de goedhartige slaveneigenaar. Tjampakka, een onschuldige en aanvallige slavin, vertelt haar eigenaar hoe het gebeurde dat zij geroofd werd en als slavin verhandeld. Een hartverscheurende geschiedenis, maar er is tenminste een lichtpunt: 'daar mij het geluk trof, door u, o edelmoedig man ! o menschenvriend ! mijn redder ! mijn weldoener ! gekogt te worden.' De edelmoedige eigenaar is diep ontroerd en spreekt gevoelig van 'den gevloekten slaavenhandel; hoe ijsselijk zijn uwe gevolgen!' Ziedaar een goed mens, een waarachtig Christen, en het is waar dat hij haar dan ook haar vrijheid geeft. Maar met die bedoeling had hij haar, vrees ik, toch niet gekocht.

Het interessante iets dat vermoedelijk onbegrijpelijk is voor de krakers en actievoerders van de late twintigste eeuw is dat dat in de tijd van de slavernij natuurlijk ook werkelijk voorkwam: mensen die er slaven op nahielden en toch geen schurken waren; het was misschien wel meer regel dan uitzondering. In een wat meer algemene vorm is dat zelfs de fundamentele paradox van het koloniale verleden en de sleutel tot het merkwaardige verschijnsel dat mensen dat verleden tegelijk verwerpelijk kunnen vinden en er naar terugverlangen.

Vrijlating

Rob Nieuwenhuys schrijft in de Oost-Indische spiegel: 'Men leest overal, ook bij de tegenstanders ervan, dat de slavernij in Nederlands-Indie een mild karakter droeg.'

Ik denk dat dat werkelijk waar is, zoals er in Indie een zekere zorg om het welzijn van anderen bestond; zo verscheen al in 1779 een in Batavia uitgegeven novelle van Van Hogendorp senior die de mensen moest aansporen hun kinderen tegen de pokken in te enten. Van wat dat in de praktijk kon opleveren krijgt men een idee als men leest in De nadagen van de loffelijke Compagnie van De Haan .: 'Op aandrang van Jan Kloprogge, de Binnenregent van het Buitenhospitaal (op Batavia), werd in 1804 de van het rund afkomstige pokstof overgebracht van Mauritius, namelijk in het lichaam van slavenkinderen, die daarheen werden gezonden om ingeent te worden.' Een andere indicatie dat de slavernij in Nederlands-Indie betrekkelijk mild was, en dat de slaven dat ook wisten, is het dreigement, dat ook in dit toneelstuk een paar keer voor komt, hen naar de Kaap te laten brengen waar het ook toen blijkbaar al veel harder toeging: 'En als gij nog veel spuls maakt, zal ik u naar Banda of de kaap de goede hoop zenden... ' Weer een andere overweging is dat in de Indische archipel bij de bevolking slavernij al sinds mensenheugenis bestond, en daar vaak aanmerkelijk minder mild was dan bij de Compagnie; de Encyclopaedie van Nederlandsch-Indie (1900) vermeldt: 'De Christenen moesten hunne slaven behandelen 'als eigen kinderen om Christenen van hen te maken'... Bij eene publicatie van 1622 werd het aan Christenen verboden slaven te verkopen of te schenken aan onchristenen... Slaven werden geacht tot het huisgezin hunner meesters te behooren; doch het eigendomsrecht werd in 1767, 1770 en 1784 zoodanig beperkt, dat verboden werd slaven mede te nemen naar Ceylon en de Kaap de Goede Hoop.' Uit het daarstraks geciteerde dreigement is op te maken dat men zich aan dit verbod blijkbaar niet erg stoorde; ook dat is trouwens een karakteristiek aspect van de Indische verhoudingen: er was het reglement, maar de mensen deden min of meer wat ze wilden.

Zo werd bij placcaat van 1668 gelast slaven te registreren; ook 'mochten [zij] niet getransporteerd worden' als zij niet 'voor Secretaris of Notaris en getuigen' bekend hadden , inderdaad des comparants lijfeigene te wezen'. In geval van 'slaafs ontkentenis mocht geene acte worden opgemaakt maar moest daarvan kennis worden gegeven aan den fiscaal.' Maar geregistreerd werd er, ondanks dit placcaat en vele latere verordeningen, kennelijk weinig. Op analoge wijze is de slavernij in Nederlands-Indie na de officiele datum van 1 Januari 1860 (in de Britse kolonien 1832, in de Franse 1848, in de VS 1865) nog vele malen afgeschaft. Het vrijlaten vond 'dankzij de medewerking van de eigenaren zonder moeilijkheden plaats', maar vijftien jaar later werd er nog 400.000 gulden uitgetrokken voor de vrijlating van ruim 23.000 slaven op Sumatra's Westkust, en in 1901 werden er op Lombok nog eens 7741 slaven vrijgelaten. Dat waren in veel gevallen wel slaven van welgestelde Indonesiers, plaatselijke hoofden en dergelijke. Volgens het Koloniaal Verslag van 1900 werd op de Oostkust van Borneo de termijn waarbinnen slaven konden worden geregistreerd opnieuw verlengd, 'omdat anders de inlandse grooten ten zeerste zouden worden getroffen.'

Slaan

Er zijn in Indie vermoedelijk, nog afgezien van de koelie-ordonnantie op Sumatra, vaak beschreven als verkapte slavernij, tot ver in de 20ste eeuw slaven geweest, iets dat Van Hogendorp in 1800 ongetwijfeld niet voor mogelijk hield. Een van de redenen was ook de schaarste aan (Europese) vrouwen. Van Hogendorp verklaart daar de scherpe kanten uit, die de slavernij in Indie toch ook bezat. Valentijn vermeldt hoe Gouverneur-Generaal Camphuis in 1684 een Europese vrouw in het openbaar neus en oren liet afsnijden omdat zij een slavin 'door mieren had laten opeten'. Deze foltering, waarover ik mij nog kan herinneren het huispersoneel huiverend te hebben horen praten, bestond er uit iemand in te smeren met suikerstroop en in een nest van semoet api, rode mieren, te leggen.

Jaloezie was volgens Van Hogendorp 'wel de meeste en voornaamste oorzaak van de mishandelingen, die door de vrouwen in Oost-Indie de slaaven worden aangedaan, en de grond van de algemeene strengheid en onmeedogenheid, die men bij de meeste Oost-Indische vrouwen jegens de slaavinnen bespeurt.' Dit verschijnsel (een perfect onderwerp, zou je zeggen, voor 'vrouwenstudies'), verschafte ook de intrige van Kraspoekol. Kraspoekol een woordcombinatie die letterlijk 'hard slaan' betekent, maar in mijn oor on-Maleis klinkt (het zou ten minste poekoel kras moeten zijn) is de naam van een Nederlands-Indische feeks die haar slaven of beter gezegd slavinnen graag pakken rammel laat geven. Zij is de schoonzuster van Wedano, de edelmoedige opperkoopman die daarstraks al ter sprake is gekomen en met wie over dat slaan een conflict ontstaat. Zij gaat ergens anders wonen want ze woonde dus bij haar zwager: je krijgt de indruk dat zij oorspronkelijk de echtgenote van Wedano had moeten zijn, en dat de schrijver haar daarna, zoals Ursula in Prikkebeen, in een (schoon)zuster heeft veranderd waar ze nu haar slaven naar hartelust kras kan laten poekoelen, en wordt dan door een opstandige slaaf vermoord. Stervend komt ze tot inkeer, omringd door wenende en handenwringende slaven die allemaal hun vrijheid krijgen; alleen iemand met een hart van steen kan het drama met droge ogen uitlezen.

Het zou mooier, of in elk geval realistischer zijn geweest als Van Hogendorp van Kraspoekol inderdaad Wedano's Hollandse vrouw, en van Tjampaka diens inlandse concubine had gemaakt, maar dat heeft hij kennelijk niet aangedurfd. En tenslotte werd de opvoering van het stuk zelfs in deze schoonzusterlijke vorm al onmogelijk gemaakt.

Maar daarbij ging het ongetwijfeld om iets anders dan de eerbaarheid. Eigenlijk is dat het interessantste onderdeel van de hele geschiedenis. Wie waren het, die de opvoering in Den Haag met succes hebben kunnen verhinderen? Zowel bij Nieuwenhuys als bij Du Perron vindt men daarover alleen het getuigenis van een Engelsman die bij de premiere aanwezig was, 'een zekere Carleton', die schreef dat de uitvoering onmogelijk werd gemaakt door '..the East India Gentry, not thinking it proper to exhibit the most illustrious actions of themselves and their noble ancestors on a stage to vulgar European spectators... if these gentlemen could, they would have also extinguished the candles, to keep in darkness what themselves and their ancestors never intended for the light.' Dat is duidelijk, maar niet specifiek: het waren oud-Indischgasten, vertegenwoordigers van het eeuwige ploertendom dat, tot in onze tijd toe, steeds geprobeerd heeft publikaties over koloniale onmenselijkheden te verhinderen, meestal met succes: dat wat in Indie zelf bekend stond als het toetoepstelsel (toetoep = deksel), i.e. de doofpot.

Siffleren

Je blijft dus nieuwsgierig wie er nu precies bij betrokken waren, en waarachtig, dankzij speurwerk van Karin Evers is een tijdschriftje boven water gekomen, getiteld Janus Janus-zoon, waarin iemand verslag doet van de mislukte opvoering en namen noemt. Het is gedateerd Donderdag 26 Maart 1801 en iemand die zich aanduidt als JANUS schrijft: 'Op gepasseerden vrydag den 20 Maart, mij begeven hebbende naar den Schouwburg in de Casuariestraat, om aldaar Kraspoekol te zien vertoonen, zag ik wonder op, dat by 't ophaalen van 't scherm, zo in de Bak als in de Loges, van verscheiden te gelyk wierd gesiffleerd, en daarop wierd geroepen: 'en bas les siffleurs', stilte enz.; dan dit hielp niets. De Gerechtsbode SABLAIROLLES, die, bij absentie van den burger A. VAN GELDER, voor Schout fungeerde, en aldaar present was, ordonneerde aan REEDE van Oudshoorn, Eerste Commis en Schoonzoon van den Ontvanger-Generaal van de Administratie te Lande, BOOGAERT van Alblasserdam, van stil te zijn, dan, welke daar op antwoordde: dat hy Schout hier niets te zeggen had; dit gaf hevige woordenwisseling; intusschen viel het scherm, de Officier van de daar zynde Wagt kwam met eenige manschappen binnen; hierop ging de Schout weg; de Officier ordonneerde dat er stilte moest wezen, maar zy antwoordden: 'dat zo wel als men mogt applaudisseeren, men ook vermogte siffleeren' die Wagt vertrok toen weder [... ] Ik begaf my, toen het scherm gevallen was, naar dien hoek, daar gemelde REEDE zat, en zag verscheiden zyner complices, zo als J. A. DE MARREE, Commis ter Secretarie van den Raad der Americaansche Colonien en Etablissementen, D. 'T HOEN, Clerq by 't zelve Collegie; RYVERS, zoon van den overleden of doodgestoken Schout, H. WIELHEESEN, Chartermeester by den Agent der Marine, CRETSCHMAR en een Zee-Officier in politieke kleeding, welke geplaatst is by 't Corps, dat naar de West gaat, en (volgens zyn zeggen) een Colonist; men zegt ook Doctor DIBBITZ, doch dien heb ik niet opgemerkt, even zo min als (zo men zegt) zeker voornaam personaadje... '

'..Men siffleerde met trompetjes, fluitjes, met den mond en met pypjes, waar aan blazen waren vastgebonden, om zulks ongemerkt in hun zak te kunnen doen.'

'..Nog iets ter nadere Informatie; de Secretaris IRHOVEN VAN DAM, had aan den Directeur BEZIER verzogt, dat het speelen van dat Stuk mogt verboden worden, dan hier aan is niet voldaan.

Opmerkzaam is het, dat de meesten van bovengemelden hem ondergeschikt zyn.'

'..Of 'er de party van NEDERBURGH in is betrokken, kan noch wil JANUS als nog bepaalen, maar dit weet hy, dat men zich eenige dagen vooraf heeft beroemd over de rol, welke men bij de Vertooning van vermelde stuk zoude speelen.'

Geweten

De naam die 190 jaar later nog (slecht) bekend is, is die van Nederburgh, Mr Sebastiaan Cornelis, 1762-1811, Commissaris-generaal ('geheel onder den invloed der Bataviasche regeeringspartij') van Nederlands-Indie in de periode dat Van Hogendorp zich daar bevond en van zich deed spreken naar aanleiding van de door hem voorgestelde hervormingen en zijn kritiek op de Compagnie. (Van Hogendorps denkbeelden, neergelegd in een groot aantal publikaties, hebben op den duur dat wil zeggen soms nog een eeuw later een belangrijke invloed op de staatsvorm van Nederlands-Indie.) Nederburgh onderschepte een aanklacht over 'de ongerechtigheden van het Comp. bestuur', door Van Hogendorp gezonden aan het Parlement in Den Haag, en liet Van Hogendorp gevangennemen.

Zo brengt Van Hogendorp een half jaar als gevangene in Fort Tangerang door, uiteraard zonder enige vorm van proces, tot hij weet te ontsnappen en via Benkoelen, Bombay, Engeland en Hamburg in Nederland terugkomt.

Er is weinig twijfel aan dat met Edeleer Champignon, wiens 'niet ongrappige bezoek' door Dirk Van Hogendorp in het toneelstuk werd ingelast, Nederburgh werd bedoeld; 'trotschheid, onkunde, en verwaandheid straalen door in al het doen en zeggen van deezen man', luiden de toneelaanwijzingen die op hem betrekking hebben; hij betoont zich bovendien een pantoffelheld door onder de tafel te kruipen wanneer de moordenaar van Kraspoekol op het toneel verschijnt.

Een merkwaardige omstandigheid is dat in de voorlezing voor de KRO deze rol zal worden vertolkt door Mr G. B. J. Hiltermann. Het zal een belevenis zijn de bekende stem van De Toestand in de Wereld de tirade te horen uitspreken waarmee Champignon een beroemde figuur is geworden in de Nederlands-Indische geschiedenis: 'Een geweeten? ha! ha! ha! Zoude hij het ook niet, gelijk de rest, aan de linie opgehangen hebben, toen hij ze voor 't eerst passeerde? Ik moet lagchen, als ik hier in Oost-indie van geweeten hoor spreeken.' De memoires van Van Hogendorp gaan niet verder dan 1815. In 1816 vertrok hij naar Brazilie, waar hij zijn oude dagen sleet als boer op een stukje grond dat hij Novo Sion had genoemd. Er is op het Koninklijk Instituut van Taal-, Land- en Volkenkunde nog een klein schilderij van een onbekende schilder, voorstellende, in de woorden van Rob Nieuwenhuys: 'Novo Sion, de povere woning van Dirk van Hogendorp met op de achtergrond de berg Corcovado. Men ziet hem opzij van het huis zitten; zelfs Dirks trouwe bediende Singa is niet vergeten.' Du Perron schreef: '..in 1816 scheepte hij zich in naar Brazilie, waar hij eenzaam en nagenoeg vergeten in 1822 stierf. Men noemde hem daar de kluizenaar van de Corcovado. Hoewel de keizer Dom Pedro soms zijn raad kwam inwinnen leefde hij in Brazilie als landbouwer; hij voerde de koffie daar in en trachtte wijn van oranjeappelen te maken; met zijn broer Gijsbert Karel bleef hij in soms ietwat bittere briefwisseling staan, en deze, die hem ondanks alle meningsverschillen altijd genegen bleef, ging voort in zijn onderhoud te voorzien. Napoleon bedacht hem in zijn testament, maar Dirk, die haast in hetzelfde jaar stierf als de keizer, zou dit niet meer weten. Zijn betekenis als groot Nederlander, maar vooral als baanbreker in onze koloniale geschiedenis, wordt nog steeds niet genoeg erkend.'

. Dr F. de Haan, Uit de nadagen van de 'Loffelijke Compagnie', een keuze uit de geschriften samengesteld door Rob Nieuwenhuys, Querido 1984, ligt onbegrijpelijkerwijze voor een krats te koop bij De Slegte.