Oost-Europa heeft een Westerse polsstok nodig

De Iraakse verovering van Koeweit heeft de laatste maand de problemen van Oost-Europa van de voorpagina's verdreven. Maar de toekomst van Oost-Europa is nog erg onzeker. Na de revoluties van 1989-90 staan de nieuwe regeringen voor zeer moeilijke opgaven. Als het Westen geen hulp of de verkeerde hulp biedt, kan een deel van de democratische winst van vorig jaar weer verloren gaan door stagnatie, gevolgd door de opkomst van populistische, autoritaire leiders die van de etnische onrust en economische frustraties misbruik maken.

De problemen verschillen sterk van land tot land. In Centraal-Europa (Hongarije, Tsjechoslowakije en Polen) is de democratie gevestigd en zijn de twee hoofdproblemen nu: hoe moet de sociale markteconomie worden ingevoerd en hoe kan een meerderheid worden behouden voor de vele hervormingen, terwijl de revolutionaire consensus uiteenvalt in veel-partijenstelsels. Het antwoord van Polen is een snelle economische shock-therapie. Hongarije volgt geleidelijke aanpassingen, Tsjechoslowakije is nog bezig de aanpak van de hervormingen vast te stellen.

Het beleid van Westerse landen, verenigd in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, OESO, kan van doorslaggevend belang zijn. Het hulppakket dat voor Polen is samengesteld, waarbij dat land radicale hervormingen doorvoert en het Internationale Monetaire Fonds, de Wereldbank, de EG en grote Westerse landen inclusief Japan forse kredieten hebben gegeven, begint al vruchten af te werpen. Het Westen moet daarbij zijn markten openstellen voor Poolse produkten. Hongarije en Tsjechoslowakije zouden eveneens van zo'n macro-pakket van hulp plus hervormingen kunnen profiteren. Hervorming van de Oostduitse economie vereist vooral offers van Oost- en West-Duitsland samen, maar ook van de EG.

Simultaanschaken

Er ontstaan gigantische overgangsproblemen. De meeste bedrijven zijn verliesgevend en verouderd. Hoe zijn die werkelijk te privatiseren? Grote werkloosheid moet worden verwacht, vooral onder oudere werknemers en vrouwen. De sprong van een improduktieve bevelseconomie naar een sociale markteconomie vereist politiek-economisch simultaanschaken van de Centraaleuropese regeringen. Het gaat om vrijmaken van de prijzen, privatisering, het aantrekken van nieuwe investeringen, managementtraining, invoering van convertibele valuta, terugdringen van enorme schulden en begrotingstekorten, het omlaag drukken van voorthollende inflatie, terwijl tegelijkertijd een sociaal vangnet moet worden opgezet voor ouderen en werklozen. De omschakeling van sterk milieuvervuilende praktijken naar een ecologisch verantwoorde economie vraagt daarenboven grote investeringen, onder andere in schonere krachtcentrales en afvalwaterzuivering.

Westers advies om al deze hervormingen in een klap door te voeren is makkelijk op papier, maar de Centraaleuropese regeringen moeten wel parlementaire meerderheden zien te behouden. De paradox is dat de nieuwe, vrije regeringen veel meer kracht en invloed moeten tonen om de overgang naar een sociale markteconomie te bewerkstelligen dan de oude totalitaire regeringen ooit bezaten.

De polsstok waarmee over de diepe sloot van werkloosheid, inflatie, stagnatie en verdeeldheid moet worden gesprongen, kan worden gevormd door omvangrijke hervormings- en hulpprogramma's, die samen met het Westen worden opgezet en uitgevoerd. De publieke opinie in Centraal-Europa toont momenteel nog een grote bereidheid om Westerse adviezen te volgen en daarvoor op korte termijn offers te brengen.

De Centraaleuropese landen hebben gemeen dat ze snel democratiseren en zich bij Westerse politieke en economische organisaties willen aansluiten. Maar de Zuidoost-europese landen Bulgarije, Roemenie, Joegoslavie en Albanie zijn andere gevallen. Hun eigen communistische partijen zijn nog aan het bewind. Deze partijen leunden niet meer op Sovjet-troepen. De communisten zijn (nog) niet weggevaagd en hebben meer dan in de Centraaleuropese landen zelf invloed op aard en tempo van de hervormingen.

In Bulgarije heeft de partij zich omgedoopt in een socialistische hervormingspartij, maar er zijn verwijten dat de verkiezingen niet helemaal zuiver waren. Economisch wil Bulgarije een markteconomie, met behoud van sterke banden met de Sovjet-Unie. Roemenie wordt door de crypto-communistische regering-Iliescu gerund. De democratische oppositie wordt sterk geintimideerd. In Albanie moet de revolutie nog plaatshebben, maar er zijn tekenen van hervormingsbereidheid van het regime. Joegoslavie valt politiek steeds verder uiteen door hevige vijandschap tussen de regionale bevolkingsgroepen.

Westerse hulpprogramma's voor de Zuidoost-europese landen moeten als duidelijke voorwaarde democratische hervormingen stellen. Roemenie kan het best via particuliere kanalen worden geholpen, om de democratische oppositie te versterken.

Sovjet-Unie

Door omvang en aard is de Sovjet-Unie een geval apart. Het is de vraag hoe lang zij nog in de huidige vorm bestaat. Het is eigenlijk geen 'Sovjet' meer en nauwelijks 'Unie'. De oorspronkelijke perestrojka, in de zin van door Gorbatsjov van bovenaf geleide hervormingen, is niet meer de motor; nu overheersen de processen van onderaf. Gorbatsjov heeft alleen nog greep op het buitenlands beleid. De politieke macht van de partij en de Unie-regering over het land is ineengekrompen. De nationaliteiten eisen onafhankelijkheid. Radicale hervormers willen met grote sprongen de markteconomie invoeren, maar intussen raakt het land steeds verder economisch in het slop.

Het militair-industrieel complex, dat volgens Sovjet-economen 18 tot 23 procent van het nationaal inkomen opslokt (zeven maal zoveel als in Nederland), blijft maar doorproduceren. Conversie van deze oorlogseconomie in consumptiegoederen is politiek uiterst moeilijk wegens de macht van dit complex.

Voorts bestaat een groot risico dat het etnische geweld verder toeneemt, vooral in de zuidelijke republieken. Nu het hart-land, de Russische republiek, door het akkoord Jeltsin-Gorbatjov met radicale hervormingen begint, is er uitzicht op vooruitgang. Gezien de etnische onrust en desintegratie is het ontwerpen van een multilateraal hulpprogramma voor de USSR nog veel moeilijker dan voor de Centraaleuropese landen.

Het zou tragisch zijn als het Westen door te karige hulp of juist door kritiekloze, veel te ruime kredieten zonder voorwaarden, de kansen op hervormingen zou verkleinen. De NAVO-landen hebben sinds de tweede Wereldoorlog vele biljoenen guldens aan defensie besteed om de Koude Oorlog te winnen. Nu de vrijheid in Oost-Europa het levenslicht heeft aanschouwd, zou het onvergeeflijk zijn als het kind, na de zware bevalling, aan zijn lot zou worden overgelaten.

    • Hoogleraren uit Oost