Ministers financien praten over Golf en Monetaire Unie Europa; Informele vergaderingen pakken meestal verrassender uit

BRUSSEL, 7 sept. De agenda van de tweedaagse informele bijeenkomst van de Europese ministers van financien (Ecofin) die morgen in Rome begint, bevat alle ingredienten voor een spannende thriller. Er zijn immers nog zoveel onbekende factoren dat er niets met zekerheid over de afloop kan worden gezegd.

Informele vergaderingen van Europese ministers van financien hebben in het algemeen al de neiging om verrassender uit te pakken dan de formele ministerraden. Dat heeft te maken met de wat lossere sfeer die er heerst, het ontbreken van de noodzaak om keiharde beslissingen te nemen en de mogelijkheid om de waarheid wat ongedwongener en minder diplomatiek te verkondigen dan gebruikelijk.

Oorspronkelijk zou de bijeenkomst, de laatste informele Ecofin voordat in december de Intergouvernementele conferentie (IGC) over de Economische en Monetaire Unie (EMU) begint, uitsluitend aan de voorbereiding van die conferentie zijn gewijd. Ter herinnering: op de Europese top van juni 1989 in Madrid was afgesproken dat aan de Intergouvernementele conferentie een 'volledige en adequate voorbereiding' vooraf zou moeten gaan.

Maar door de gebeurtenissen van de afgelopen maand in het Midden-Oosten zijn er andere, nog dringender punten op de agenda bijgekomen. De ministers zullen in de eerste plaats een diepgaande analyse willen maken van de macro-economische effecten die de oorlogssituatie in de Golf, de onzekerheid op de oliemarkt en de sociale en economische ontwrichting in de Arabische wereld zullen hebben voor de wereldeconomie in het algemeen en voor die van de Europese Gemeenschap in het bijzonder.

Ook zal gesproken worden over het hulppakket voor Jordanie, Egypte en Turkije zoals de Europese Commissie dat deze week heeft voorgesteld. Maar vooral moeten de ministers zich buigen over het plan van de Europese Commissie om, samen met de VS, Japan en andere landen, financiele steun beschikbaar te stellen om de drie landen te helpen bij de moeilijkheden die ze ondervinden als gevolg van het handelsembargo tegen Irak. Volgens memoranda die de landen naar de Commissie hebben gestuurd zou Jordanie als gevolg daarvan dit jaar een verlies lijden van 1 miljard ECU (2,32 miljard gulden), Egypte schiet er het dubbele bij in en Turkije verliest over een langere periode 4,5 miljard ECU (ruim 10 miljard gulden). Er is natuurlijk geen sprake van dat de EG dergelijke bedragen zou kunnen bijpassen, maar dat de kosten hoog zullen worden is onvermijdelijk. Te verwachten is dat Italie, dat op het ogenblik het voorzitterschap van de Europese Gemeenschap bekleedt, zal aandringen op een zo hoog mogelijke bijdrage van de EG: de nauwe banden van Italie met de Arabische wereld en ook de nabijheid staan daar garant voor. Eerder deze week circuleerden in Brussel getallen van 500 miljoen tot een miljard ECU, maar die wilde de Europese Commissie niet bevestigen, mogelijk om het Italiaanse voorzitterschap wat meer manoeuvreerruimte te bieden.

Verrassingen zullen zich in elk geval ook kunnen voordoen bij de discussies over de EMU. Ontwerpteksten die het Italiaanse ministerie van financien daarvoor heeft voorbereid zijn pas op het laatste moment naar de hoofdsteden van de lidstaten verzonden, zonder dat ook de Brusselse permanente vertegenwoordigingen daarvan afschriften hebben ontvangen. Dat garandeert dat de voorstellen alleen in zeer beperkte kring bekend zijn en dat er ruimte is voor onverwachte wendingen.

In Brusselse EG-kringen overheerst de mening dat de meeste lidstaten, met uitzondering natuurlijk van Groot-Brittannie, wel ongeveer 'op hetzelfde spoor' zitten. Dat wil zeggen dat die elf lidstaten ervan overtuigd zijn dat de weg die is gewezen door het rapport van de commissie-Delors, het verwezenlijken van de EMU in drie fasen, met als klap op de vuurpijl het creeren van een enkele Europese munt, de ECU, volgens plan moet worden afgelegd. De eerste fase is op 1 juli van dit jaar begonnen, de tweede, waarbij de economische en monetaire politiek van de lidstaten beter op elkaar moet worden afgestemd, zou volgens het voorstel van de Europese Commissie op 1 januari 1993, het begin van de interne markt, moeten beginnen. Maar de lidstaten zijn het daarover nog lang niet eens en vragen zich af of er wellicht een EMU 'met twee snelheden' moet worden aangehouden. Onzekerheden te over en mogelijkheden voor conflicten idem dito. Karl-Otto Pohl, de president van de machtigste centrale bank van Europa, de Bundesbank, zette deze week bijvoorbeeld nog een rem op de voortvarendheid waarmee vooral de Europese Commissie naar de EMU te wil opstomen. Onder verwijzing naar de pijnlijke gevolgen die de snelle monetaire eenwording van de Duitslanden had gehad, vroeg de Duitse bankpresident zich af of de Europese Gemeenschap liever niet wat meer behoedzaamheid zou moeten betrachten. Pohl zelf had overigens steeds gewaarschuwd voor die gevolgen, maar had bij bondskanselier Helmut Kohl geen gehoor gekregen.

Volgens Pohl is er misschien best iets te zeggen voor het plan van de Britse minister van financien, John Major, die eerder dit jaar voorstelde om in plaats van een ECU die alle andere munten zou vervangen, een 'harde ECU' in het leven te roepen, die naast de andere munten zou bestaan. Die harde ECU zou uiteindelijk, als het economische beheer en de inflatiepercentages van alle lidstaten op hetzelfde niveau zouden zijn gekomen, als enige munt kunnen gaan fungeren.

Pohl meende dat het creeren van wedijver tussen landen met behulp van hun nationale monetaire politiek, zoals bepleit door Major, misschien wel zou leiden tot een hoger niveau van economische en monetaire convergentie tussen de lidstaten. Als een nieuwe munt een compromis zou worden tussen sterke en zwakkere munteenheden, dan zou, volgens Pohl, 'een harde munt worden geofferd op het Europese altaar zonder dat we weten wat we terugkrijgen'. Pohl wees er ook op dat Major volkomen gelijk had toen hij eerder dit jaar waarschuwde dat een gezamenlijke monetaire politiek wel eens veel duurder kan uitvallen dan de kosten die worden uitgespaard door het wegvallen van valutatransacties en wisselkoersverschillen. De voordelen daarvan voor het Europese bedrijfsleven worden door de Europese Commissie geschat op zo'n 20 miljard ECU (46,4 miljard gulden) per jaar.

Ondanks de serieuze aandacht die Pohl aan het plan-Major heeft besteed, hadden de Britten afgelopen dinsdag, toen het monetaire comite de vergadering van topambtenaren van de ministeries van financien het plan-Major besprak 'geen gemakkelijke dag', zoals een Brussels diplomaat het noemt. Maar de ontnuchterende woorden van de Duitse bankpresident zullen de Europese ministers de komende dagen ongetwijfeld tot voorzichtigheid aanzetten.

    • Frits Schaling