Miljoenen schilderijen

Via twee methodes hebben een historicus en een econoom berekend dat in de Nederlandse Gouden Eeuw zes tot acht miljoen schilderijen zijn geproduceerd. Wanneer men bedenkt dat er in de Republiek twee miljoen mensen leefden en er dus minder dan een miljoen huishoudens zijn geweest, dan kan men zich voorstellen met welke overdosis aan visueel materiaal de Nederlanders geconfronteerd werden. In bijna alle huishoudens kwamen schilderijen voor, zelfs in de meest nederige stulpjes. Was het louter vermaak, leverden ze een esthetische beleving op, of was het schilderij een bron van bezinning en een aansporing om een goed leven te leiden? Het historische tijdschrift Leidschrift wijdt het augustusnummer aan de controverse die sinds enkele jaren de kunsthistorici verdeelt en die naar buiten is gekomen in de boeken van Svetlana Alpers en in artikelen en proefschriften van de Nederlandse kunsthistorici Hecht, Bedaux en Sluijter. Elk op een andere manier nemen ze afstand van de lang vigerende iconologische aanpak van onder anderen Eddy de Jongh, maar nog meer van de vele vrije interpretaties die zijn gegeven in diens voetspoor, maar zonder zijn zorgvuldigheid.

Eric J. Sluijter opent met een artikel waarin hij de term realisme ter discussie stelt. De term is misleidend, omdat hij het fotografisch realisme tot norm verheft: de foto als verkleind tweedimensionaal beeld van de werkelijkheid. Zowel de term 'realisme' als 'schijnrealisme' is toegepast op de 17de-eeuwse schilderkunst, maar beide ten onrechte. Ten eerste omdat schilders niet naar het leven werkten, zeker niet bij landschappen, zeegezichten of genretaferelen, maar in hun atelier componeerden. Verder omdat ze het onderwerp dat ze afbeeldden, nooit gezien kunnen hebben, omdat het niet bestond, althans niet in die vorm.

Sluijter verduidelijkt dit met een schilderij van Van Goyen, dat de stad Leiden voorstelt. Zelfs nu herkent men dat in een oogopslag. Maar wie gewapend met een kaart gaat controleren waar van Goyen dan gestaan heeft, komt bedrogen uit. Hier staat een kerk te veel naar links, daar is een kerk 90 graden gedraaid, en met molens en poorten is vrolijk geschoven. Van Goyen heeft dus in de eerste plaats 'een idee' van Leiden gegeven. Sluijter wijst er ook op dat het in de genrevoorstellingen niet gaat om levensechte personen, maar in archaische kledingstukken gehulde 'gechargeerde stereotype beelden van een bepaalde bevolkingsgroep'. Dat deze schilders hun werk graag volstopten met verborgen betekenissen staat voor Sluijter niet vast. Hij ontkent niet dat er soms een moraal is aan te wijzen, maar meent dat die vaak niet verborgen was. Nu misschien, maar destijds niet. Die boodschap sloot direct aan bij in brede kring bekende literatuur of spraakgebruik. Sluijter vindt het vooral interessant om de voorkeur voor bepaalde thema's en beeldtradities te analyseren, omdat dat iets kan vertellen over het wereldbeeld van de toenmalige kijker.

In de tweede bijdrage in dit nummer komen De Jongh en Hecht aan het woord. De eerste relativeert enkele aspecten van de iconografie, maar houdt vast aan doel en methode, zonder daarbij het belang van esthetische aspecten te ontkennen. Hecht verdedigt de opvatting dat juist die esthetische overwegingen voor de schilder doorslaggevend zijn geweest en dat de vorm voorafging aan de inhoud. Zoals voor Sluijter de wisseling van beeldtradities interessant is, zo meent Hecht dat vooral het onderzoek naar de esthetische conventies van de schilder het vak verder kan helpen. Men moet dan onderzoek doen naar de invloed van een leermeester op zijn leerlingen, naar het effect van het werken in een bepaald atelier. De derde bijdrage aan Leidschrift is van John Michael Montias, wiens boek over Vermeer ook in dit tijdschrift wordt besproken. Montias heeft geprobeerd voor het jaar 1650 het aantal in Nederland werkzame schilders te berekenen, hun inkomen en produktie. Hij komt op 650 tot 750 schilders met een jaarinkomen van 1150 tot 1500 gulden, wat zes tot zeven maal het jaarinkomen is van een gewone ambachtsman. Hun gemiddelde produktie stelt Montias op 94 schilderijen per jaar.

De reusachtige getallen waar Montias mee aankomt, zowel van schilders als van schilderijen geven aan in welke richting de controverse kan worden opgelost. Er waren zoveel schilders, met zoveel verschillende specialismen en kwaliteiten dat men al hun werk niet over een kam kan scheren en kan volhouden dat of vorm of inhoud de doorslag heeft gegeven. Er waren 'moeilijke' schilders, er waren er ook bij die zich specialiseerden in boertige humor, er waren er die aan de lopende band paneeltjes produceerden, er waren er ook met een beperkte produktie, zoals Vermeer. Ook de kopers verschilden onderling.

In vraag en in aanbod was dus een enorme varieteit. Het is daarom zinvoller bepaalde milieus van schilders en verzamelaars te analyseren, dan de discussie op een algemeen en abstract niveau voort te zetten. Die discussie heeft bovendien iets onbevredigends omdat men langs elkaar heen praat en de suggestie doet ontstaan dat een esthetische waardering het tegendeel van een inhoudelijke waardering is.

Twee vragen blijven dan nog onbeantwoord. Als schilderijen gemaakt en gekocht werden om hun inhoudelijke voorstelling, hoe kan het dan, dat diezelfde schilderijen in later tijd, wanneer men die betekenis niet meer herkent, toch gewaardeerd werden? Dat suggereert toch een blijvende esthetische waarde. Omgekeerd, wanneer schilderijen zouden zijn gemaakt en gewaardeerd omwille van de schoonheid, om hun mooie compositie, of kunstige lichtval, hoe kan het dan dat er ook zoveel rommel werd geproduceerd en verhandeld? Niemand zal toch beweren dat dat die miljoenen schilderijen van topklasse zijn geweest. Waar anders om, dan omwille van de voorstelling koopt men een tweede- of derderangs schilderijtje?

    • Roelof van Gelderleidschrift. Prijs Fl.9