LS over boeken en schrijvers

Egbert Onrust

Lodewijk van Deyssel (ps. van Karel Alberdingk Thijm) heeft in de Nederlandse letteren een reputatie die hij niet alleen heeft te danken aan zijn literaire werk. Het is zijn persoonlijkheid die altijd tot de verbeelding heeft gesproken. Honderd jaar na dato is het vermakelijker om te lezen hoe hij beschrijft dat zijn bureau eruitziet en hoe hij vliegen vangt dan boeken als Een liefde en Uit het leven van Frank Rozelaar. Uitgeverij De Prom heeft nu een aardig werkje heruitgegeven: Badplaats-schetsen (prijs f. 22,50). Van Deyssel schreef het in 1902, nadat hij enkele malen in het voorafgaande decennium naar kuuroorden in Kleef en Aken was geweest. Volgens de bezorger van de tekst, M. G. Kemperink, baseerde Van Deyssel zich vooral op zijn verblijven in Kleef, een plaats net over de grens bij Nijmegen. De hoofdpersoon heet Egbert Onrust en lijkt verdacht veel op de schrijver. In de schetsen portretteert hij de onhandigste kant van zichzelf. Toch heeft Thijm later tegenover Harry G. M. Prick pertinent ontkend dat hij zichzelf portretteerde.

Onrust is een overmatig verlegen, vroeg-oud mannetje van 27 jaar. Hij gaat kuren omdat hij reeds een buikje begint te krijgen. Het hotel waarin hij zit wordt uitgebreid beschreven, en zo ook de medekuurders. Van Deyssel schrijft ironisch, venijnig, onderkoeld maar bijna altijd vermakelijk over de belevenissen van Onrust. Jammer is dat hij zo weinig vertelt over de koude baden en het eigenlijke kuren maar mogelijk was dat destijds nog onfatsoenlijk.

De foto op het omslag van de Badplaats-schetsen is misleidend want hij toont een Thijm van middelbare leeftijd die door het zand banjert met op de achtergrond hoge badstoelen. De foto heeft niets met de badplaatsen Kleef of Aken te maken. Een onderschrift bij de foto in een oud nummer van Bzzlletin zegt: 'Lodewijk van Deyssel op het Zandvoortse strand, in de vroeg-dertiger jaren van deze eeuw.'

Marcellus Emants

Naast romans als Een nagelaten bekentenis en Inwijding en talloze reisboeken schreef Marcellus Emants ook bijna twintig toneelstukken, waarvan de meeste zijn opgevoerd. Als toneelschrijver is Emants echter zo goed als vergeten. Toch werden zijn stukken juist opgevoerd in de tijd dat het toneel in Nederland in een overgangsfase verkeerde. Nieuwe gezelschappen streefden omstreeks 1890 steeds vaker naar een zo natuurgetrouw mogelijk spel en probeerden enigszins los te komen van het theatrale toneel van voor die tijd. Op het repertoire stond onder meer werk van Henrik Ibsen en Gerhart Hauptmann. Een van die moderne gezelschappen was van Jan C. de Vos en Willem van Korlaar, die de Tivoli-schouwburg in Rotterdam bespeelden.

Emants correspondeerde uitvoerig met De Vos en Van Korlaar toen er twee van zijn stukken werden opgevoerd in de periode 1890-1894. Paul Post maakte een selectie en bundelde dertien van de in totaal dertig brieven onder de titel Dat is dom; Maar zoo zijn de lui nu eenmaal (uitg. Verzameld Werk in Nijmegen, prijs fl.12,50. Tel.: 080-221639). Het zijn soms merkwaardige brieven. Zowel na de premiere van het stuk Fatsoen als na Artiest lukt het Emants niet de spelers van het gezelschap allemaal persoonlijk te danken. Of de acteurs waren al weg of om andere, onduidelijke, redenen kan zijn champagne-tractatie niet doorgaan. Dus bedankt hij iedereen schriftelijk. In een andere brief antwoordt Emants op de uitnodiging om mee te spelen in de opvoering van zijn stuk. Ongetwijfeld een slimme zet van de toneelleiders de auteur is zeer gevleid: 'Wat het medespelen betreft heeft u mij in mijn zwak getast. Ik heb er vroeger ernstig over gedacht toneelspeler te worden ' Gelukkig is dat nooit doorgegaan. Wat een verlies was dat geweest voor de literatuur!

Ontmoetingen

Zowel van Louis Paul Boon (1912-1979) als van Cees Buddingh' (1918-1985) verschijnen regelmatig dunne boekjes. Ze kunnen er zelf niets meer aan doen. Bij De Bezige Bij verscheen Buddingh' van A tot Z. Ontmoetingen met Nederlandse en Vlaamse letterkundigen (prijs f. 27,50). In een van zijn dagboeknotities opperde Buddingh' het idee zijn kennismakingen met schrijvers te boekstaven. Buddingh' maakte zelfs al een lijstje van schrijvers/letterkundigen. Ares Koopman, beheerder van Buddingh's nalatenschap stelde dus uit de dagboekaantekeningen over de schrijvers Buddingh' van A tot Z samen. Die dagboekaantekeningen zijn daar vaak niet geschikt voor en ook nooit als zodanig bedoeld. Het zijn trouwens niet alleen ontmoetingen, nee, ook de vermelding van het kijken naar Reve op de televisie en een In memoriamgedicht voor E. du Perron zijn opgenomen. Zo kan ik het ook! Buddingh' had het zelf vast anders gedaan omdat hij nog uit zijn herinnering had kunnen putten. Hijzelf zou bijvoorbeeld Hans van Straten (maart 1964) en Hugo Brandt Corstius (oktober 1975) niet hebben overgeslagen.

Alibi

Sleutelromans hebben altijd betrekking op werkelijke gebeurtenissen, waarop de schrijver een eigen visie heeft. Toen Theo Kars De vervalsers publiceerde, over een oplichtersgezelschap dat de PTT bedroog, volgde een paar jaar later Onze hoogmoed van Boudewijn van Houten die vond dat Kars zijn eigen persoontje te nadrukkelijk op de voorgrond plaatste. Beide schrijvers maakten hetzelfde mee maar schreven uiteenlopende boeken. Omdat ik geen van de hoofdpersonen ken zijn de boeken voor mij minder interessant dan wanneer dat wel zo was.

Een roman waarvan je naderhand hoort dat het een sleutelroman is, of waarvan je weet dat er bestaande personen in figureren krijgt een meerwaarde. Het idee dat je een kijkje mag nemen in andermans leven, maakt de voyeur in ons allen wakker. Wie vooraf weet dat bestaande personen optreden, kan het verhaal niet meer onbevooroordeeld lezen. Bekend is dat in Het Land van Herkomst veel (bekende) vrienden en kennissen van E. du Perron voorkomen maar alleen Du Perron zelf kon natuurlijk de volledige sleutel geven. Dat deed hij in een exemplaar van de roman voor zijn vriend Jan Greshoff. Jacques Gans deed hetzelfde met een exemplaar van Liefde en goudvisschen, dat hij in augustus 1947 cadeau gaf aan een zekere Joke Meyeringh. Een paar jaar geleden kocht ik het op de vrijmarkt in Amsterdam. Andere interessante voorbeelden van sleutelromans zijn Valentijn van Hans Andreus (over de Podium-redactie), De autocraten van Rutger van Zeijst (over Propria Cures en de Universiteit van Amsterdam) en Onder professoren van Willem Frederik Hermans (over de Rijksuniversiteit Groningen). Het onlangs verschenen sprookje voor bedriegers De alibicentrale van S. Montag verschaft ongeveer dertig mensen een extra reden om het boek te lezen. Montag geeft ze een alibi: ze moesten figureren in zijn boek (of ze wilden of niet). Omdat juist iemand als Montag zich kan voorstellen hoe nieuwsgierig een mens is, heeft hij in een exemplaar onthuld wie wie is. Dat exemplaar, waaruit op dit moment alleen mag worden verklapt dat Montag zelf soms wel eens Snauwaart zou willen zijn, is in het bezit van K. Jansen te Amsterdam. Hij heeft toegezegd het exemplaar te zijner tijd te schenken aan het Letterkundig Museum.