Kwattacompetitie

IS HET NU EREDIVISIE op de televisie of PTT-Telecompetitie? De NOS laat het aankomen op de rechter en trotseert een verbod van het Commissariaat voor de Media. Dat lijkt het zoveelste staaltje bemoeizucht van de overheid met vrije berichtgeving. Bij de BBC, een echt publieke omroep, dragen zelfs de heilige testmatches in het cricket de naam van een sponsor. Bij de BBC zal men een sportcommentator of nieuwslezer echter niet zo gauw de naam van een sponsor in de mond horen nemen. Die naam blijft beperkt tot de aankondiging en de aftiteling. De NOS heeft het dan ook in elk geval niet erg handig aangepakt door de nieuwe vondst van PTT en KNVB zo direct in de berichtgeving te betrekken. Journalistiek gesproken wekt die namengeverij maar verwarring en dient dus zoveel mogelijk te worden vermeden. Bij een afzonderlijk evenement (Hoogovenschaaktoernooi) is het tot daar aan toe, maar in de reguliere berichtgeving is geen plaats voor pakweg de Kwattacompetetitie (korfbal?, windhonden?). Het is wel duidelijk waarom de NOS niet meer afstand heeft bewaard tot een deal tussen KNVB en PTT waarmee zij op de keper beschouwd niets te maken heeft. Naamsvermelding wordt beloond met een jaar verlenging van de uitzendrechten. Een mooie beloning is dat trouwens, het voorrecht te mogen betalen voor nieuwsgaring. Maar zo zijn de kaarten wel komen te liggen na een lange rechtsstrijd tussen KNVB en NOS. Daarin is al in een vroeg stadium de principiele vraag van de vrije nieuwsgaring bij voetbalwedstrijden afgevallen en werd voornamelijk geprocedeerd over aard en omvang van de vergoedingsplicht. Die is zodanig uitgevallen dat de KNVB de NOS kennelijk flink in de tang heeft.

DAT HET BELEID van de rechter helpt de NOS in de armen van zo'n KNVB-PTT-kongsi te drijven, geeft te denken. Toch is dat geen reden voor de journalistieke uitverkoop waaraan de NOS kennelijk wenst vast te houden. Als er een ding bepalend is voor het publieke bestel, is het toch wel dat de berichtgeving zorgvuldig wordt gescheiden van commerciele overwegingen. Daarmee is niet ontkend dat de meest publieke berichtgeving zakelijke bijeffecten kan hebben. Die zijn ook niet per definitie vies. Het is prima wanneer de organisatoren van SAIL voor een aantrekkelijk bedrag aan beeldmateriaal afnemen. Maar het is godgeklaagd dat dit de beslissing om uit te zenden c.q. de omvang van de berichtgeving heeft beinvloed. In een publieke omroep die zijn naam ook maar enigszins waard is behoren de programmamakers daarvan niet eens te weten. Dat ook in een commerciele constructie een elementaire scheiding tussen redactie en uitgever tot de mogelijkheden behoort blijkt trouwens wel bij de dagbladpers. LEGT EEN onverzettelijke NOS het echter op den duur niet af tegen de commerciele omroepen met hun grote geld en hun vrije handen? Deze kans is inderdaad niet te verwaarlozen. Zeker op het gebied van sportuitzendingen lijkt een zekere herschikking tussen bestaande en nieuwe omroepen de logische consequentie van de commmerciele omroep waarvan nu zelfs Den Haag toegeeft dat hij onvermijdelijk is, althans: niet tegen te houden.

Deze ontwikkeling noopt wellicht tot nieuwe bezinning op het recht op nieuwsgaring, toch al het stiefkindje van de informatievrijheid. Zij wordt in dat geval niet tegengehouden als de medewerkers van de NOS het voortaan nu maar goed hebben over PTT-Telecompetitie.