IJzingwekkende cello en Tibetaanse cantates op Gaudeamus-week

De Argentijnse componiste en celliste Sylvia Fomina droeg haar Opfernacht voor cello, piano en klein slagwerk op aan de generatie van jonge intellectuelen waar ze mee opgroeide en die zich na de nachtmerrie van 1976-1984 niet meer uiten kon. Een gefolterde en tot zwijgen gebrachte generatie.

'Aan de diepe leegte', aldus de componiste, 'breng ik dit eerbetoon met gebalde vuisten, knarsende tanden en gesloten ogen.' Aldus ontstond tussen de overige bijdragen op de Gaudeamus Muziek Week (twaalf composities geselecteerd uit 266 partituren ingezonden door 29 landen) een Fremdkorper. Tussen niet zelden vrijblijvend virtuoos post-impressionisme klonk daar opeens een ongenaakbaar brok expressionisme: muziek als een menselijke schreeuw. Eerst woest en opstandig, de vleugel bewerkt met een hamer, ten slotte verstikkend in een ijzingwekkende cellosolo met veel lange rusten, uitstervend in een langzaam glissando als het schreeuwen zonder klank.

Wonderbaarlijk hoe een cello huilen kan als een wild beest!Ondertussen bleef niet onverhuld, dat voorgeschreven klankverfijningen in de piano (zoals door middel van pedaaleffecten) vrijwel niet geeffectueerd werden en dat de compositie eigenlijk meer een act is dan een muziekstuk. Het ontlokte in ieder geval veel discussie en heftige protesten, niet in het minst door de lange, geexalteerde toelichting.

Sommige werken begonnen sterk, zoals een contrastrijk pianokwartet van Pietro Borradori, om halverwege in te zakken. Een trio voor viool, basklarinet en piano van Paolo Aralla bracht continue expansie van hetzelfde materiaal (ware mijnenvelden aan versieringen!) en klonk overtuigender door een veel geraffineerder uitvoering. Hoogtepunt op het eerste kamermuziek concert waren de uiterst virtuoos door John Snijders vertolkte piano-etudes I-VI van Jesus Rueda. Merkwaardig is dat de eerste drie etudes uit 1987 en 1988 vrij braafjes beginnen in een voorspelbare toccatastijl, maar dat allengs in de drie laatste etudes uit 1989 zich in een grilliger stijl met veel boventooneffecten een geheel ander idioom openbaart in een soort compilatie van enkele van Stockhausens Klavierstucke.

Het tweede kamerconcert bood als een uitschieter onder meer Luca Cori's Raku voor pianokwintet en twee slagwerkers, met in het verstilde centrum een ongewone solo voor de cymbales antiques, die ook aan het slot belangrijk zijn. Normaliter worden deze instrumenten immers uitsluitend voor mengeffecten ingezet.

Juist weer heel ernstig tonen zich Massimo Priori in zijn Primo risveglio naar een Tibetaans-boeddhistische sutra voor tenor, strijktrio en vibrafoon, woensdagavond echter vertolkt door de sopraan Lucia Meeuwsen, met een grote inzet wat trouwens ook gold voor het bezielend begeleidende Ives Ensemble.

Voor mij de grootste verrassing tot nu toe. De zangstem is ongewoon rijk versierd, maar ditmaal zeker niet op een vrijblijvende wijze, terwijl de instrumenten met voor- en tussenspelen in opmerkelijk dichte klankblokken voor een uitstekend kader zorgen. Waren de meeste werken aan de lange kant, deze Tibetaanse cantate was perfect op maat gesneden.

Vanavond vraagt het Radio Kamer Orkest in Paradiso nog aandacht voor enkele geselecteerde werken voor een groter bezetting en zondag zal, na een tweetal extra concerten, David Osmond-Smith de Louis Vuitton Prijs van 10.000 gulden uitreiken.

    • Rueda. Uitgevoerd Door Xenakis Kwartet