Het volk moet honger lijden; Anatoli Rybakov over de terreurvan Satlin

'Ik schrijf vrijuit, ' zegt de Russische schrijver Anatoli Rybakov. Dat heeft hij geweten: twintig jaar lang lag zijn roman 'Kinderen van de Arbat' over de jaren dertig in de Sovjet-Unie op de plank. Drie jaar geleden werd het boek dank zij perestrojka vrijgegeven en onlangs schreef de bijna tachtigjarige schrijver een vervolg: '1935 en volgende jaren'. Rybakov schrijft realistisch en ondubbelzinnig over de Stalin-terreur; een weldaad voor het Sovjet-publiek dat zo lang is voorgelogen. Maar is zijn stijl soms niet al te simpel? 'Ze zaten in een kleine hal niet ver van Joera's zaal. Om haar schouders had Lena een witte ziekenhuisjas met losse touwtjes, onder de jas droeg ze een blauw pakje en een wit bloesje, aan haar voeten hoge laarzen die haar volle, stevige benen omsloten. Hij had nooit onverschillig naar haar benen kunnen kijken, de geur van haar parfum wond hem op... Ze was mooi, gezond en stralend, en hij zat in zijn afschuwelijke flanellen ochtendjas over zijn ondergoed, aan zijn blote voeten bungelden pantoffels en hij was ongeschoren.' Bovenstaande alinea komt niet uit het zoveelste werkje in de Bouquet Reeks. Het fragment is gelicht uit 1935 en volgende jaren, het nieuwste boek van de gevierde Sovjet-schrijver Anatoli Rybakov. Zijn Kinderen van de Arbat, een breed opgezette kroniek over het leven in de Sovjet-Unie aan de vooravond van de Stalin-terreur in de tweede helft van de jaren dertig, werd na twee decennia op de plank te hebben gelegen in 1987 plotseling op de golven van de perestrojka meegevoerd en is inmiddels wereldwijd een bestseller geworden. Voor de bijna tachtigjarige, in de Oekraine geboren en in Moskou opgegroeide auteur was dit een reden zijn beschrijving van de personages uit de succesroman te vervolgen, met inbegrip van historische figuren als Zinovjev, Kamenev, Jezjov, Jagoda en Stalin.

Dat in Rusland honderdduizenden exemplaren van Rybakovs roman over de toonbank zijn gegaan, is weinig verwonderlijk. Voor het eerst sinds de sensationele publikatie in 1962 van Aleksandr Solzjenitsyns Een dag uit het leven van Ivan Denisovitsj geeft het boek de Russische lezers een duidelijk beeld van de verschrikkelijke terreurjaren tijdens het stalinistische bewind. Maar terwijl Solzjenitsyn zich vooral concentreerde op een aspect, het verblijf in de concentratiekampen, laat Rybakov de gehele toenmalige Sovjet-samenleving zien. Uiteindelijk komt dit overigens op hetzelfde neer: Rybakov verandert de Sovjet-Unie in een groot kamp, compleet met willekeurige arrestaties, verhoren in de gevangenis, de fabricage van 'bewijsmateriaal', verzonnen bekentenissen en showprocessen. Hij beschrijft ieders strijd om te overleven, van de gewone burgers in Moskou, de ballingen in Siberie, van Stalins naaste medewerkers in de partijtop, en van de beulen van de geheime politie.

Tot voor kort was de kennismaking met deze thematiek voorbehouden aan de enkeling die wel eens clandestien werk van Achmatova, Boelgakov, of Platonov onder ogen kreeg, of die de hand wist te leggen op de verboden memoires van Nadjezjda Mandelstam. De getuigenis van de laatste geeft niet alleen veel feiten over de dichter Osip Mandelstam en zijn generatiegenoten, maar heeft ook de sfeer van het Sovjet-tijdperk met zijn totale ineenstorting van waarden vastgelegd. Een complicatie daarbij was nog dat zich tussen het illegale materiaal vaak ook nog werk bevond dat niet altijd even toegankelijk was, doordat het de invloed van het modernisme had ondergaan.

Grootheidswaanzin

Hoe anders ligt dit bij Rybakov. Hij schrijft, naar eigen zeggen, voor het Russische volk, voor de massa, en zonder een blad voor de mond te nemen. Bij hem geen spoor van verhulling of dubbelzinnigheid. Er wordt niets verzwegen, ook niet in de talrijke fragmenten waarin Stalin als het brein achter de bloedige zuiveringen een sinistere hoofdrol vertolkt. In 1966 waren deze fragmenten nog aanleiding om de publikatie van Kinderen van de Arbat te verbieden. 'Maar een schrijver die denkt aan de publikatie van zijn boek, ' zo zei Rybakov in een interview, 'kan nooit iets goeds produceren. Dan schrijft hij de waarheid niet, dan heeft hij de redacteur, de censor, in zijn hoofd zitten. Ik schreef vrijuit.'

Dat laatste is goed te merken aan zijn stijl, een simpele stijl die mede verantwoordelijk moet zijn voor zijn grote populariteit. Het opvallendst is Rybakovs manier van vertellen waar hij in de huid van Stalin kruipt en rechtstreeks zijn gedachten weergeeft. Een knap staaltje van inlevingsvermogen, dat nergens geforceerd aandoet, zoals blijkt uit het volgende fragment, waarin de dictator in een vlaag van grootheidswaanzin zijn politiek van dood en verderf tegenover zichzelf rechtvaardigt: 'Hij zou openlijke noch potentiele concurrenten dulden. Alles wat gevaar opleverde moest worden vernietigd. Niemand had het recht naar het hoogste gezag te streven. Om iedereen die in dit land woonde dit te laten beseffen, moest iedereen voelen dat zijn bestaan, vrijheid en veiligheid voortdurend in gevaar waren. Dat de enige garantie voor veiligheid onvoorwaardelijke onderwerping was. De terreur moest constant zijn, het moest de gewone en normale manier van regeren worden.'

En, nog schrijnender, op dezelfde bladzijde: 'De hongersnood van het begin van de jaren dertig was nodig geweest om het platteland te laten voelen wie de baas was. De hongersnood had miljoenen levens gekost, maar het had hem ook de overwinning gebracht. Zijn bewind zou ook miljoenen mensenlevens kosten, maar hij zou het land laten zien wie er de baas was, hij zou de hele wereld laten zien wie er in dit land de baas was.' Even direct zijn de hoofdstukken waarin de succesvolle toneelcriticus Vadim Marasevitsj wordt neergezet als een miezerige opportunist, wiens grootste talent bestond uit het 'vermogen om heel handig, in zijn eigen woorden, het van hogerhand voorgeschreven officiele standpunt, reeds geformuleerd of verondersteld, weer te geven.'

Onder druk is deze Vadim tot elke concessie bereid en het komt bijna niet meer als een verrassing wanneer hij ten slotte volledig 'capituleert' en, zoals zovelen in die tijd, erin toestemt voortaan als informant van de NKVD, de binnenlandse veiligheidsdienst, op te treden.

Het zijn passages waarin Rybakov onderwerpen aansnijdt die in de Sovjet-Unie tientallen jaren taboe waren. Hij raakt daarmee aan ervaringen die bij verschillende generaties Russen diepe wonden hebben geslagen en die lange tijd zijn verdrongen. Het gevolg is dat de boeken van Rybakov, net als de geruchtmakende film Boete van Tengiz Aboeladze, bijdragen aan de verwerking van het verleden. Ze spreken uit wat moest worden verzwegen en brengen zo bij de lezers een gevoel van opluchting, een catharsis, teweeg.

Therapeutisch

Voor westerse lezers hebben Rybakovs werken deze therapeutische functie natuurlijk niet of nauwelijks. Hier hebben wij dank zij het werk van historici als Robert Conquest met zijn boek The Great Terror en de in het Westen uitgegeven literatuur van dissidente Russische schrijvers al veel eerder kennis kunnen nemen van de desastreuze gevolgen van Stalins autocratische dictatuur. Maar wie er nog niet van op de hoogte is kan nu terecht bij Rybakov, zelfs voor cijfers over de schrikbarend teruggelopen landbouw- en veeteeltproduktie en voor het aantal doden ten gevolge van de tussen 1928 en 1932 rigoureus doorgevoerde collectivisatie.

Dat neemt niet weg dat voor ons het artistieke gehalte van Rybakovs werk het belangrijkste is. Het gaat voor ons in de eerste plaats om romans, die ook als zodanig beoordeeld mogen worden. In dat opzicht doen zich wel enkele tekortkomingen voor, waarop ik al zinspeelde met het openingscitaat en mijn verwijzing naar de Bouquet Reeks.

Uiteraard overdrijf ik met deze verwijzing. Al glijdt Rybakov soms naar een bedenkelijk niveau af, hij is een geroutineerde, al in 1950 met de Stalinprijs onderscheiden auteur. Rybakov zet vlotte dialogen op papier, vermengt feit en fictie tot een uitgebalanceerd en levendig geheel en vervlecht ogenschijnlijk moeiteloos de verschillende verhaallijnen met elkaar.

Minder goed gelukt is de karakterisering van de hoofdpersonen. Psychologisch gaat Rybakov niet altijd even diep en soms blijft hij in weinig ter zake doende uiterlijke beschrijvingen steken. In dit opzicht moet Rybakov zijn meerdere erkennen in Tolstoj, zijn grote voorganger, met wiens Oorlog en vrede het moderne epos over de Stalin-era tal van overeenkomsten vertoont. Het beste komen nog de negatieve helden uit de verf, de paranoide, gewetenloze dictator voorop, maar een onsterfelijke romanfiguur met de allure van een Oblomov, Raskolnikov of Anna Karenina weet Rybakov niet te creeren.

Mijn voornaamste bezwaar richt zich tegen Rybakovs stilistische uitgangspunt, dat vermoedelijk nauw samenhangt met de taboe-doorbrekende rol die de auteur voor zijn boeken ziet weggelegd. Het komt er op neer dat zijn verteltrant over het algemeen te expliciet en te rechtlijnig is. Op zoek naar de waarheid over de verschrikkingen van het stalinistische tijdvak, neemt hij soms zijn toevlucht tot een uitvoerig en neutraal of, zo men wil, realistisch relaas. Ik wil niet beweren dat zijn speurtocht is mislukt en niets heeft opgeleverd. De in de romans naar boven gehaalde feiten en gebeurtenissen spreken voor zichzelf en blijven hoe dan ook gruwelijk, ook als ze worden gebracht in de vorm van statistische gegevens. Ik vraag mij alleen af, of de waarheid langs een andere weg op de lange termijn niet nog beter was gediend. De dingen worden te veel uitgesproken en te weinig gesuggereerd, wat ten koste gaat van de expressiviteit en de intensiteit van het betoog. De uitwerking op de lezers zou groter zijn geweest wanneer er af en toe een beroep op hun denkvermogen en hun verbeeldingskracht was gedaan.

Ontzetting

Een enkel intrigerend beeld kan soms meer effect sorteren dan tientallen bladzijden beschrijving. Net zo kan een luchtopname van een door een bombardement of een aardbeving getroffen stad een juiste indruk geven van de aard en de omvang van de verwoestingen. Zo'n overzichtsfoto kun je bestuderen maar hij laat je verder onberoerd. Een gevoel van ontzetting en van medeleven met de slachtoffers krijg je pas bij het kijken naar een close-up. Je ziet eerst niet eens wat de foto precies voorstelt of wat hem zo bijzonder maakt, en het kost je enige moeite om dat te reconstrueren, maar dan opeens wordt alles duidelijk een half bedolven ledikant met een opengebarsten matras, een arm of been die onder ingestort beton vandaan steekt, een stuk speelgoed, verloren rondslingerend tussen het puin. Zo'n grotesk, uitvergroot beeld vat alle ellende in een klap samen en zet zich voor lange tijd vast in je geheugen, autonoom en tegelijk geassocieerd met de bijbehorende gedachten en gevoelens. 'Allegorische taal, ' zegt de negentiende-eeuwse schrijver en filosoof Aleksandr Herzen ergens, 'bewaart de sporen van agitatie, van strijd; er ligt meer hartstocht in besloten dan in een simpele uiteenzetting. Bondige, gecomprimeerde taal is rijker aan ideeen, is scherper. Zo te spreken dat de gedachte helder is maar de lezer er zelf de woorden voor moet vinden dat is de beste manier om te overtuigen.'

Een voorbeeld ter illustratie van de taal die, naar ik aanneem, Herzen voor ogen stond. Twee strofen over Stalin van Mandelstam, geschreven in december 1936 in zijn ballingsoord Woronezj: Binnen de bergwand rust de afgodin koesterende, onbegrensde, bewaakte vertrekken.

Van zijn hals druipt vet uit parelsnoeren, beschermt de eb- en vloedbeweging van zijn slaap.

Zijn slapende gebeente is zorgvuldigopgevouwen: knieen, handen, schouders allesals bij een mens.

Hij glimlacht met zijn brede mond, denkt met zijn botten, voelt met zijnschedelen tracht zich te herinneren hoe hijals mens eruitzag.

Van dit visioen, opgeroepen door regels waarin de naam van de dictator opzettelijk wordt verzwegen, culmineert de betekenis uiteindelijk met des te meer kracht in het hoofd van de lezer, wanneer zich daar een formule vormt in de trant van Stalin = onmens.

Zulke passages waarin de 'waarheid' onuitgesproken blijft, kom je bij Rybakov niet veel tegen, al zijn ze er wel. Typerend genoeg betreft het dan voornamelijk kleinere scenes, waarin de tirannieke Stalin de tandarts of het huispersoneel met zijn woede-uitbarstingen de stuipen op het lijf jaagt. Op die momenten komt de boosaardigheid van Stalin het sterkst tot uitdrukking en wordt de machtige dictator het hardhandigst van zijn voetstuk getrokken. Groots, indringend, meeslepend of fascinerend is Rybakov daardoor niet. Hij blijft te veel aan de oppervlakte en maakt te weinig gebruik van de suggestieve, visionaire kracht waarover de literatuur en na Kafka zeker ook de roman als kunstvorm beschikt.

Integer

Rybakov schrijft alsof er geen Andrej Bjelyj heeft bestaan, met zijn geniale, raadselachtige roman Petersburg; geen Rode ruiterij, de compacte, bonte verhalencyclus van Isaak Babel; geen Boelgakov met zijn virtuoze, surrealistische satire De Meester en Margarita. Ja, hij schrijft alsof de twintigste eeuw nog niet is aangebroken! Of dit boek over een paar decennia nog baanbrekend is, nu met de toenemende openheid van zaken in de Sovjet-Unie steeds minder gewaagd en onthullend wordt, valt te betwijfelen.

Maar ach, dat een bescheidener opzet misschien een duurzamer resultaat had opgeleverd, daar heeft de auteur verder geen boodschap aan. Niet alle literatuur is per slot van rekening geschreven voor de eeuwigheid.

Anatoli Rybakov: Kinderen van de Arbat. Vert. Aai Prins, Gerard Rasch, Frans Stapert en Maya de Vries. Uitg. Bert Bakker. 531 blz. Prijs fl.47,50. Anatoli Rybakov: 1935 en volgende jaren. Vert. Aai Prins en Gerard Rasch. Uitg. Bert Bakker. 310 blz. Prijs fl.39,90. Het citaat van Osip Mandelstam is afkomstig uit: Wie een hoefijzer vindt. Vert. Kees Verheul. Uitg. G. A. van Oorschot, Amsterdam 1982.