De Ark van Armenie; Bezoek aan het klooster op San Lazzaro

Tussen bloesems en kunstschatten wonen in het Mechitaristenklooster op het eiland San Lazzaro bij Venetie dertien paters en tien seminaristen. Ze hebben een dubbele roeping: ze dienen God, maar ook Armenie.

De vaporetto vaart langs een internaat, een ziekenhuis en een voormalige gevangenis waarvan de tralies nu sierlijk omrankt zijn door klimop. Bij elk eilandje wordt de boot leger en bij de laatste halte, San Lazzaro degli Armeni, is er nog maar een klein groepje toeristen over. Hun reisdoel moet hetzelfde zijn als dat van mij: een bezichtiging van het Armeense Mechitaristenklooster op San Lazzaro, een groen vierkantje in de Venetiaanse lagune, vlak voor de kust van het Lido. Het klooster en de omringende tuinen nemen het hele eilandje in beslag.

In de rozentuin bij de ingang worden we opgewacht door een zwartgepijde pater die meteen informeert of zich in ons gezelschap Armeniers bevinden. Een man loopt naar voren, hij krijgt een hartelijke handdruk, de rest van het groepje wordt plichtmatiger begroet.

Toen Bas Heijne enkele jaren geleden op een van zijn reizen in het voetspoor van Lord Byron het klooster van de Mechitaristen bezocht, werd hij daar (zoals hij beschreef in zijn boekje Vreemde reis) behalve door een pater ook opgewacht door een witte poes. Bij mijn bezoek zou een gitzwarte poes ons tijdens de hele rondleiding vergezellen, huppelend door de gangen, tot aan de kloosterkerk, waar hij zich ineens discreet terug trok.

De pater wijst ons op het standbeeld van de 'fondatore', Abate Mechitar (1676-1749), een Armeense monnik die jarenlang op de vlucht was voor de Turken, tot hij in Venetie kwam. Op de ruines van een oud leprozenhuis liet hij hier aan het begin van de achttiende eeuw het klooster bouwen.

Aan zijn volgelingen hield hij het beeld voor van de adelaar die op twee vleugels vliegt. Jullie ene vleugel, zo zei Mechitar, is de religie, de andere de cultuur. Naast de vervulling van hun religieuze plichten zien de Armeense monniken het nog steeds als hun taak de Armeense cultuur van vroeger en nu te behoeden en in stand te houden. 'Dit is een klein stukje thuisland voor de Armeense diaspora, voor de door de hele wereld verspreide Armeense vluchtelingen, ' vertelt de pater.

Door lange witte arcades lopen we langs de binnentuin en wie even niet denkt aan de reden waarom het klooster werd opgericht, aan de eeuwenlange vervolging en onderdrukking van de Armeniers, waant zich hier tussen de bloesems en beelden in een verborgen paradijs. We stoppen bij een schilderij van Catharina de Grote en bij een Romeins standbeeld van een man zonder hoofd ('Als de persoon die het voorstelde overleed, werd er simpelweg een ander hoofd opgezet') en dan komen we in de bibliotheek, die meer wegheeft van een geheimzinnige schatkamer.

Naast elkaar liggen twee Egyptische mummies, de ene in een beschilderde sarcofaag, de andere bedekt door een kleurig kraaltjeskleed ('een geschenk van een Armeen in de achttiende eeuw'). Onder een plafondschildering van Tiepolo, die hier de Vrede en Gerechtigheid verbeeldde, staan vitrines vol kleinodien. Een van de vitrines is gevuld met Armeense paspoorten en geld uit vroeger eeuwen, keurig gerangschikt rondom het zwaard van de laatste Armeense koning. Tussen de vele borstbeelden en schilderijen vallen de kasten met honderdtwintigduizend Armeense boeken en rijen papyrusrollen nauwelijks op.

Na de bibliotheek komen we van de ene schatkamer in de andere. We kijken naar het portret van Byron die in 1816 drie maanden in het klooster woonde om Armeens te leren, naar een met ivoor ingelegde troon van een Indiase koning uit de veertiende eeuw, we worden langs glazen kasten met middeleeuwse manuscripten en miniaturen, zilveren boekbanden en sieraden gevoerd en we hebben geen tijd om stil te staan bij de duizenden kistjes, schalen, gouden kandelaars, zilveren scharen, beeldjes, vazen en antieke sandalen. In de kloostergangen gaan de wanden schuil achter honderden doeken van Armeense schilders. Het is duidelijk: dit klooster is de Ark van Noach voor de Armeense kunst en tegelijk is het een museum voor Griekse, Romeinse, Etruskische en allerlei andere oudheden, voor het grootste deel giften van rijke Armeniers uit de diaspora. Door hun financiele schenkingen zorgen zij ook dat het Mechitaristenklooster kan blijven bestaan.

De pater geeft uitleg over de kunstschatten, maar liever lijkt hij te praten over de tragische historie van de Armeniers, de pogroms, de massamoorden door de Turken, de onderdrukking van het christelijke Armenie door verschillende Islamitische volken, de recente botsingen met de Azerbajdzjanen. 'Het is nog altijd erg triest om in Armenie te wonen, ' zegt hij, 'maar ik hoop dat het over een paar jaar beter is.'

Refter

We staan in de refter, een zaal met lange tafels langs donkerrode wanden. Hoog aan de muur hangt een kansel. Hier leest tijdens de maaltijden een monnik een bladzijde voor uit de bijbel en een uit de Oud-Armeense literatuur. Verder mag in deze sobere ruimte geen enkel woord vallen.

In de gotische kapel, waar de zwarte kloosterkat ons verlaat, heerst geen soberheid: aan alle muren flonkeren blauwe mozaieken van bijbelse taferelen, en onder de mozaieken sterrenhemel schittert een gouden godstroon. We lopen langs de barokke altaarstukken en ruiken wierook. De pater staat lang stil bij de graftombe van Abate Mechitar, die behalve geestelijke ook architect, wiskundige en schrijver was. Hij vertelt dat de Armeniers in de vierde eeuw tot het christendom werden bekeerd en dat het hun ongeluk was tussen Moslimvolken te moeten leven. Dan voert hij ons naar de laatste bezienswaardigheid, de drukkerij, waar negentiende-eeuwse persen naast moderne computers staan. Hier worden niet alleen Armeense boeken en brochures gedrukt, er wordt ook geld verdiend met het maken van affiches voor tentoonstellingen in Venetie.

In het winkeltje bij de drukkerij koop ik het boek Armenia and San Lazzaro, Facts and Figures of Armenian History. Het boek begint met lofzangen op de grote Armeense volkshelden, zoals Artaxias I die in 190 voor Christus de Armeense onafhankelijkheid uitriep en koning Tigranes de Grote die een eeuw later een hele serie naburige volkeren versloeg en van Armenie een groot en machtig rijk maakte dat zich uitstrekte van de Kaspische tot de Middellandse Zee. Maar de lofzangen maken na de eerste hoofdstukken plaats voor weeklachten over het eeuwig geteisterde Armenie waar, vanaf de vierde eeuw, Romeinse, Perzische, Tartaarse en Arabische invasies elkaar afwisselden. De grootste vijand waren de Turken, die het land steeds opnieuw trachtten te annexeren. Tussen 1915 en 1918 vond de bloedigste onderdrukking plaats. In die tijd vermoordden de Turken anderhalf miljoen Armenen. Kort daarna, in 1920, werd Armenie een deel van de Sovjet-Unie. Aanvankelijk vormde het samen met Azerbajdzjan en Georgie de Socialistische Sovjet Republiek van Transkaukasie, sinds 1936 is Armenie een afzonderlijke Sovjetrepubliek. Bijna drie miljoen Armenen wonen nu in het land zelf, ongeveer twee miljoen daarbuiten.

Het boekje meldt dat de vijfjarenplannen van de Sovjet-Unie een grote welvaart brachten in Armenie. Industrie, landbouw, wetenschap, cultuur alles kwam tot bloei. Waar de lezer kritische woorden verwacht over de Sovjet-heerschappij treft hij, in dit kloosterboekje, voldoening en tevredenheid. Hoe is dat mogelijk? Die vraag leg ik voor aan Pater Vertanes die mij bij mijn tweede bezoek aan San Lazzaro te woord staat. 'De Sovjet-Unie, ' zegt pater Vertanes, 'is nog altijd het enige land dat ons kan beschermen, al heeft Gorbatsjov het helaas niet erg begrepen op de Armeniers. We zien het niet als onze taak om het communisme te bekritiseren. Armenie wil een onafhankelijke republiek worden het heeft pas een soevereiniteitsverklaring aangenomen maar wel binnen het verband van de Sovjet-Unie. Vergeet niet dat het land zit ingeklemd tussen drie vijandige volkeren: de Azerbajdzjanen, de Turken en de Georgiers. Daarom hebben we de Sovjet-Unie nodig, we hebben geen keus.'

Roeping

Pater Vertanes woont veertig jaar op San Lazzaro. Zijn jeugd bracht hij door in Lyon. Hij vertelt dat het Mechitaristenklooster nu dertien paters en tien seminaristen telt, minder dan vroeger, toen er weleens zestig kloosterlingen waren. 'We kampen met hetzelfde probleem als alle andere kloosters: er zijn steeds minder mannen met een roeping. En wij verwachten een dubbele roeping: elke kloosterling dient God, maar ook Armenie.' De monniken van San Lazzaro zijn allemaal Armeniers, maar geen van hen komt uit het eigen land, de meesten werden in Libie of Syrie geboren. 'Het is nu eenmaal moeilijk om Armenie te verlaten, tot voor kort was het bijna onmogelijk. We willen de emigratie uit Armenie ook niet aanmoedigen, het is juist belangrijk dar het volk daar blijft, anders verliest het nog meer van zijn identiteit en wordt het begrip Armenie gereduceerd tot een idee. Op San Lazzaro proberen we de culturele en geestelijke banden tussen het uiteengereten Armeense volk hechter te maken. We doen hier onderzoek naar de bronnen van de Armeense cultuur, enkele paters zijn specialisten op het gebied van de oude Armeense muziek, of het Armeense schrift, anderen weten alles van Armeense miniaturen of poezie. Bij alles wat we hier doen, houden we ons uiteindelijke ideaal voor ogen: een vrij Armenie voor alle Armeniers.' Pater Vertanes verzucht dat alleen al het onderhoud van de op San Lazzaro verzamelde kunstschatten fortuinen kost. 'Van de toeristen wordt verwacht dat ze na de rondleiding een kleinigheid geven aan de gids. Het gebeurt steeds vaker dat ze dat vergeten, dat ze zomaar, zonder een gebaar van dank, weer in de vaporetto stappen.' Even later wijst hij naar de vaporetto die in de verte aan komt varen met een nieuw groepje toeristen. Zo dadelijk moet hij ze rondleiden. Hij zegt: 'Het is een beetje egoistisch van me, maar ik houd er niet van, al die vreemdelingen op het eiland. Het verstoort de sfeer, de stilte. We zijn dan ineens zo dicht bij de wereld.'