Chelsea Hotel Revisited

Achter de muren van het Chelsea Hotel aan West Twentythird Street in New York werd niet alleen literatuur, maar ook geschiedenis geschreven. Wie nu de lobby binnengaat moet eerst over twee snurkende zwervers stappen, die zich als een deurmat voor de ingang hebben uitgestrekt. Bij de receptie hangt een briefje: Holger uit Berlijn moet zijn ouders sofort laten weten waar hij zich bevindt.

Toch worden de jonge rugzaktoeristen er dagelijks aan herinnerd dat zij zich op gewijde grond bevinden. Monumentale platen aan de buitengevel wijzen erop dat de grootste schrijvers, dichters, componisten en beeldend kunstenaars op dit adres langdurig domicilie kozen. Arthur Miller kwam hier tussen 1962 en 1968 op verhaal (en schreef drie boeken) nadat zijn relatie met Marilyn Monroe op de klippen was gelopen, Thomas Wolfe (1900-1938; de vader van cultschrijver Tom Wolfe) schreef hier in zijn levensavond het toepasselijke You Can't Go Home Again. De legendarische drinkers en ongekroonde koningen van de poetische boheme Brendan Brehan Brehan en Dylan Thomas ledigden er menig glas. Behan kon op het laatst niet meer lopen van de drank en dicteerde zijn proza met een kruikje in de hand vanuit zijn hotelbed. Op kamer 205 kon men Thomas de laatste woorden tot zijn vriendin horen mompelen: 'I've had my eighteenth straight whisky today and I think that's the record.' Stanley Bard, sinds 32 jaar eigenaar van het hotel dat zijn uit Hongarije geimmigreerde vader in 1940 voor vijftigduizend dollar kocht, raakte bevriend met honderden kunstenaars uit de hele wereld. In ruil voor een werkstuk bood hij ze ruimhartig onderdak. Hebben we wel eens van Karel Appel gehoord? Is een van zijn beste vrienden! Willem de Kooning, en Corneille had hij ook frequent te logeren, maar die ziet hij de laatste jaren weinig meer.

Sigaar

De hotelier informeert naar het welzijn van Jan Cremer, die 'het Chelsea' nog als zijn adres bleef opgeven toen hij er al lang niet meer woonde. In de jaren zestig en zeventig was Cremer er een geziene gast. Hij schreef er zijn twee spraakmakende Ik-documenten, verkeerde er met filmster Jane Mansfield, liet, toen hij er een Nederlands televisieteam ontving, in elke mondhoek een sigaar van twintig centimeter bungelen als symbool van zijn succesvolle doorbraak op de Amerikaanse markt en schilderde er aan de lopende band stillevens met Hollandse tulpebollen en grazende koeien. Jarenlang hing een kleurrijk doek van Cremer in de hal van het Chelsea. Waar het zich nu bevindt zou Stanley Bard niet kunnen zeggen: misschien heeft Cremer het opgehaald, misschien is het verkocht. Het hangt in ieder geval niet thuis bij Bard aan de muur, zoals het grote schilderij van Jackson Pollock dat hij haastig in veiligheid bracht toen de artiest tot lieveling van de Amerikaanse kunsthandel werd uitgeroepen. Bard informeert hoe Jan Cremer het maakt, die al zo lang niets meer van zich liet horen. Gelukkig met vrouw en kind? Wel, wel Bard kan zijn oren nauwelijks geloven. Een hartstochtelijker vrouwenjager heeft hij in zijn leven niet meegemaakt, maar ach, Jan zal inmiddels ook ergens in de vijftig zijn.

De schrijvende schilder was trouwens niet bij alle gasten geliefd, zo valt te lezen in At the Chelsea waarin Florence Turner de gloriedagen van het hotel beschrijft. Het doek met de tulpebollen vond ze 'verschrikkelijk' en over Cremer meldt ze dat hij niet kon beslissen of hij een schilder, een dichter of een all-round-genie wilde zijn. 'But he was none of these things.' Met minder dan honderd dollar per nacht voor een tweepersoonskamer is Chelsea voor Newyorkse begrippen goedkoop en zoiets heeft onvermijdelijk gevolgen voor de samenstelling van de clientele. Kunstenaars van wereldformaat maken tegenwoordig deel uit van de hogere inkomensgroepen en prefereren het Hilton boven het Chelsea. In reisgidsen wordt het hotel nog steeds aangeprezen als pleisterplaats voor het artiestenvolk, maar net zo min als Harry Mulisch zich nog aan een tafeltje bij Americain laat bezichtigen, valt aan de open haard van Chelsea de dromerige blik van Norman Mailer te peilen. Wie nu zijn intrek in het Chelsea neemt, zoekt betaalbaar logies of koestert kunstzinnige ambities. De tijden zijn hard. Een Duitse acteur, op wie Broadway kennelijk niet zit te wachten, laat via het prikbord weten dat hij op kamer 407 beschikbaar is voor het geven van conversatielessen in zijn moedertaal. Voor acht dollar is aan de receptie een cassettebandje te koop met veertien songs, gezongen door een zekere Joe Bidewell en 'geinspireerd door het Chelsea Hotel'. Leuk, maar in 1971 droeg Leonard Cohen een lied op aan Janis Joplin ('I remember you well/at the Chelsea Hotel') en dat was andere koek dan Joe Bidewell snijdt.

Stanley Bard vindt het niet leuk om over het verval van het Chelsea te praten. Wat hem betreft is het hotel nog steeds 'de interessantste plaats ter wereld', waar vertegenwoordigers van alle nationaliteiten hun creatieve energie komen opladen. Edith Piaf, Christo, Andy Warhol, Sam Sephard you name it. Ja, maar dat was toen; een aantal van die grootheden zijn niet meer in leven. Bard laat zich niet door interrupties van de wijs brengen. Onverstoorbaar gaat hij verder met het opsommen van beroemde namen. Heiligen kunnen alles, maar er is er niet een die een hotel kan exploiteren. Dat was een gevleugeld gezegde van Mark Twain (ook dood), die een paar jaar in het Chelsea woonde. De gitarist Jimi Hendrix, in de jaren zestig de allergrootste in zijn genre, werd eens op de ziel getrapt door een verdwaalde hotelgast die aannam dat blacks niets anders in het Chelsea te zoeken hadden dan het verrichten van nederige werkzaamheden. 'Boy, I need someone to bring down my bags.'

De man die de lift bediende schoot ijlings te hulp om het pijnlijke misverstand zo diplomatiek mogelijk op te lossen.

Mahoniehout

In 1883 werd het Chelsea neergezet als het eerste en destijds hoogste gebouw van Manhattan. De omgeving van Twentythird Street fungeerde toen als het theaterdistrict van de stad. Dat verklaart misschien de aantrekkingskracht die het rond de eeuwwisseling tot hotel verbouwde appartementencomplex op artiesten uitoefende. Van de prachtige Victoriaanse stijl, waar Chelsea zijn bekendheid aan ontleende, is weinig meer over. De vloeren in de hal zijn nog steeds van marmer. De directiekamer waar Bard kantoor houdt heeft veel mahoniehout en een plafond met vele krullen, maar de stijlvolle eetkamer, met handbeschilderde stoelen, werd tot twee studio-appartementen verspijkerd. Ook van de indrukwekkende front-desk is weinig meer over: de linkervleugel biedt nu plaats aan een rij kwartjestelefoons, van de rechtervleugel werd een opslagplaats gemaakt. In 1983 volgde de meest dramatische ingreep. Om aan de eisen van de brandweer tegemoet te komen werd het hotel grondig gerenoveerd. Behalve de krakende bedden werd ook de kenmerkende sfeer aan de vuilnisman meegegeven. 'Het Chelsea had vanaf dat moment meer iets weg van Holiday Inn', vindt schrijfster Florence Turner.

Het betekende het einde van een tijdperk. Dat het hotel zo populair was onder de popmuzikanten van Soft Machine, Grateful Dead, Pink Floyd en Jefferson Airplane was op langere termijn misschien fnuikend voor de reputatie. Want in het kielzog van die muziek volgden de drugs en met de drugs kwamen de dealers en met de dealers kwamen de prostituees en al deze nieuwe klanten dreigden het hotel te domineren. De politie kwam dagelijks over de vloer en ze namen hun getrainde drugs-speurhonden mee.

In 1978 kwam Chelsea groot in het nieuws toen de aan heroine verslaafde lead vocalist Sid Vicious van de punkgroep Sex Pistols er zijn twintigjarige vriendin doodstak. Een jaar later keerde Vicious naar het hotel terug om met een overdosis een einde aan zijn eigen leven te maken. De bejaarde auteur Arthur Miller reageerde op alle publiciteit over het drama met de opmerking dat het Chelsea nooit respectabel is geweest, ook niet in de tijd dat hij er woonde. En lachend voegde Miller er aan toe dat Chelsea gelukkig nooit respectabel zal zijn zo lang Stanley Bard het bewind over het hotel voert. Goedkoop is het er in elk geval nog wel. Wie zich tegen diefstal van persoonlijke eigendommen wil wapenen, huurt gewoon een kluisje op de gang. Geen overbodige luxe, getuige het prikbord: 'Auf Zimmer 308 sind zwei Paar Nagelhosen geklaut.'

Foto den Haan Foto Barry Kornbluh

Entree van het Chelsea Hotel: goedkope chique en snurkende zwervers

    • Rudie Kagie