Adelaar

De arend, de arend, Zijn snavel is scharend, Zijn ogen zijn starend, Dat maakt hem vreesbarend.

De arend, de arend, Al energie besparend Door 't luchtruim warend, Zijn voedsel vergarend.

Heel vreemd van de arend, Maar ook wel voortvarend, En zijn schaarste verklarend: Nooit zie je ze parend.

Zodat degene die mij vindt van wroeging zich verbijt

En zegt: 'Dat arme poezebeest, die arme Krayencour,

    • Rudy Kousbroek