Van der Staay, directeur Sociaal en Cultureel Planbureau; 'Nederland heeft hoge ambities'

DEN HAAG, 6 sept. Of minister-president Lubbers de laatste editie van het Sociaal en Cultureel Rapport al had gelezen toen hij in Nijmegen zijn diagnose stelde 'Nederland is ziek', dat weet de directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, drs. A. J. van der Staay, eigenlijk niet. Maar hij acht het niet uitgesloten: 'Hij leest veel'. Opvallend was het wel de kwalen die Lubbers signaleerde waren ongeveer dezelfde als de 'hardnekkige problemen' waar het Planbureau in zijn laatste rapport de vinger op legde. Zowel Lubbers als het SCP wezen op de langdurige werkloosheid, het groeiend aantal arbeidsongeschikten en de gestegen criminaliteit.

Maar terwijl Lubbers uitriep dat er nu een situatie was ontstaan 'waarin het falen van de samenleving zich voordoet als het falen van de overheid', kwam het SCP met de opmerking dat het voor een belangrijk deel juist de overheid is die de problemen veroorzaakt. Zou het kunnen dat 'een zekere overproduktie van beleid niet zelf een onderdeel uitmaakt van de onoplosbaarheid van de problemen?', aldus het SCP. Van der Staay, elf jaar directeur van het Planbureau, wil met de hoofdverantwoordelijke voor het rapport, drs. C. S. van Praag, best een toelichting geven, maar hij waarschuwt: 'Ik ga niet in discussie met de minister-president'.

Hij verzet zich echter niet tegen de conclusie dat het falen van de samenleving deels op rekening van de overheid geschreven moet worden. 'Ik heb tegen die conclusie geen bezwaar. We hebben vastgesteld dat een gedeelte van de gedragsreacties van de bevolking het gevolg is van het gevoerde beleid en van de overproduktie van plannen en lange-termijnvisies. De ambities zijn te algemeen. Men zegt: er moet iets gedaan worden aan de criminaliteit, men stelt geld beschikbaar en vervolgens stopt het denken. Wij vragen steeds: waar gaat dat geld heen, hoe vertaalt zich dat in middelen en hoe effectief zijn die? 'We hebben in onze samenleving een aantal keiharde doelstellingen, zoals gelijkheid, die ons voortdurend stimuleren om het voor elke bevolkingscategorie zo goed mogelijk te maken. Dat leidt ertoe dat men beleid gaat zien als een lange campagne. Men blijft volhouden, ook als het beleid niet slaagt.'

Van Praag: 'Ik denk dat er een autonome kracht achter schuilgaat. Zoals wij rapporten produceren, zo produceert de politiek regelingen. Als ik een politicus was zou ik mijn eigen regeling willen produceren waar ik mijn stempel op zou zetten, het liefst nog met mijn naam erop. Je kiest een maatschappelijk probleem waar je je geen buil aan kan vallen, iets wat uit den treure is gelegitimeerd zoals de ongelijkheid in de samenleving, of de jeugd, of de werkloosheid en dan struikelen de politici en beleidsambtenaren over hun eigen benen om plannen te maken. Dan krijg je de situatie dat bij de bestrijding van werkloosheid het ene plan nog nauwelijks geprobeerd is of het volgende ligt alweer klaar. Als je in kaart gaat brengen wat er allemaal aan plannen en regelingen voorhanden is dat is een oerwoud.' Produceert ons stelsel die beleidsdrang? Van der Staay: 'Het heeft inderdaad een stelselmatig karakter. Dat is misschien wel een nadeel van de democratie: dat er een parlement is dat geacht wordt om voortdurend om verbetering van de samenleving te vragen, en een overheid die geacht wordt dat netjes uit te voeren. In dat samenspel treedt voortdurend filevorming op. 'De meeste kabinetten entameren acties die pas ver over de regeerperiode heen effect kunnen hebben. Men werkt vaak met een horizon van tien, vijftien jaar. Toch blijkt steeds weer dat de maatregelen die op betrekkelijk korte termijn tot effect leiden de beste zijn. Ik ben door die elf jaar observatie aan de zijlijn weer een beetje tot die gedachte van 'piecemeal engineering' van de wetenschapsfilosoof Popper aan het terugkeren: overzichtelijke maatregelen, waarvan men van te voren ongeveer kan verwachten tot welk effect ze leiden.

Dat is te prefereren boven grootscheepse programma's en visies die het hele bestel op zijn kop zetten. Lange-termijnvisies en grootscheepse herorientaties zijn vaak bergen die muizen baren. 'De korte actie die men nu met de sociale vernieuwing heeft gevoerd, is een goed voorbeeld. Er is in het begin erg gelachen over de ambitie van de sociale vernieuwing, maar het feit dat er binnen negen maanden een akkoord is gesloten met de gemeenten, werkt voor iedereen heel motiverend. Als er op gemeentelijk niveau een oplossing wordt gevonden voor het probleem van vernielingen, dan moet dat zo snel mogelijk worden gegeneraliseerd. Men blijft te vaak steken op het niveau van de morele verontwaardiging, terwijl het toch vooral een kwestie van daadkracht is. 'Bottom up' in plaats van 'top down', ik zie daar veel in.' Uit de internationale vergelijkingen in het rapport blijkt dat in Nederland gemiddeld twee keer zo weinig mensen in de gevangenis zitten als in andere landen. Het strafrechtklimaat is mild, concludeert u. Is dat iets om trots op te zijn? Van Praag: 'Het is prettig dat het strafklimaat zo mild is en het is onprettig als de criminaliteit tegelijkertijd toeneemt.' Bestaat er dan een verband? Van Praag: 'Er is een relatie tussen de pakkans en de criminaliteit. Het strenger maken van de straffen haalt niet zoveel uit.'

Van der Staay: 'In 1960 helderden we nog 64 procent van alle misdrijven op, dat is nu gedaald tot 19 procent. Dat is een heel ernstig gegeven, want dan gaat men een risico-analyse uitvoeren. Wat je eerst alleen had met fout parkeren, krijg je nu bij alle misdadige gedragingen. Als je de pakkans zou opvoeren, zou de criminaliteit dalen.' Is dat effectiever dan het verhogen van straffen en boetes? Van der Staay: 'Ik kan mij voorstellen dat het verhogen van boetes op zichzelf preventief zou werken. Maar dan ga je er weer van uit dat de mensen verwachten dat ze gepakt worden. Het hangt veel meer met de pakkans samen dan met de hoogte van boetes. Men zal dat bovendien als onrechtvaardig gaan beschouwen: 'Negentig procent gaat vrijuit en wij, gepakten, krijgen almaar zwaardere boetes'.' In het rapport spreekt u aan de ene kant over hardnekkige problemen, aan de andere kant over de betrekkelijk gunstige sociale en culturele situatie in ons land.

Van der Staay: 'Als je het de Nederlanders vraagt, zeggen ze zelf dat ze het goed hebben. En er zijn hier natuurlijk ook goede sociale verzekeringen. De arbeidsongeschiktheid is een probleem, maar de regeling zelf staat niet ter discussie. De mensen zijn gezond, iedereen kan studeren als hij dat wil en van de honger kom je niet om. Het probleem is: men wil meer. Men wil minder arbeidsongeschikten, maar het worden er meer. Men wil meer effect van het speciaal onderwijs, maar men ziet dat effect niet. Men wil minder criminaliteit, maar het gebeurt niet. Het pessimisme van het rapport wordt voor een belangrijk deel ingegeven door ons pessimisme over de effecten van het overheidsbeleid.' Van Praag: 'Als je komt vanuit de crisis van 1980 en 1981 en die crisis is hier zwaarder geweest dan elders dan is de tevredenheid wel begrijpelijk. We blijven in welvaart wel iets achter bij rest van Europa, maar dat betekent vooral dat bij ons de groei iets langzamer is geweest dan elders. 'Het probleem is dat we onze eisen steeds hoger stellen. Een aanzienlijk deel van de bevolking neemt niet deel aan de arbeidsmarkt, is afhankelijk van de welwillendheid van de overheid. Daar wordt zwaar aan getild, dat mag eigenlijk niet, vindt men. De keerzijde van de sociale zekerheid is een grote sociale kleinzerigheid. Dat hoge verzorgingsniveau is verleidelijk voor een groep mensen, die daar van profiteren en die vormen dan weer het probleem van 'de niet-betrokkene in de samenleving'. Daar werpt de beleidsmachinerie zich op en dan begint het weer van voren af aan. De Nederlandse samenleving heeft een hoge ambitie en af en toe proberen wij erop te wijzen dat we de grenzen genaderd zijn.'

    • Warna Oosterbaan