'Passief bestuur lastig bij aanpak milieucriminaliteit'

DEN HAAG, 6 sept. Het openbaar ministerie is niet goed in staat de milieucriminaliteit aan te pakken als gevolg van een 'passieve houding van het bestuur' dat belast is met het vergunningenbeleid voor vervuilende bedrijven. Die conclusie trekt het OM na een enquete onder de milieu-officieren van justitie. In twaalf van de in totaal negentien arrondissementen melden officieren van justitie zelfs dat ze 'dikwijls' door lakse bestuurders in hun werk worden gedwarsboomd.

Het openbaar ministerie heeft gisteren een plan van aanpak gepresenteerd voor de handhaving van het al maar uitdijende woud van regels op milieugebied. Centraal daarin staat de gedachte dat het OM nadrukkelijker en 'planmatiger' de strijd voor een schoon milieu zal moeten voeren wil men werkelijk successen boeken. Nu het openbaar ministerie dank zij het Nationaal milieubeleidsplan negentien milieu-officieren van justitie en 19 administratieve krachten heeft kunnen aantrekken kan in het hele land de justitiele bezem met kracht ter hand worden genomen. 'Het accent moet verschuiven van het afdoen van toevalstreffers naar het gericht voorkomen en terugdringen van overtredingen', belooft het OM. Al het optimisme ten spijt zal de strijd tegen de milieu-crimineel niet eenvoudig zijn. Het aantal milieuwetten is vooral door een de laatste twintig jaar zeer actief geworden wetgever de veertig ruimschoots gepasseerd. Bepalingen verspreid over exotische wetten zoals de Wet op de walvisvangst, de Destructiewet tot aan de Wet Economische Delicten. Daarnaast is er nog een nauwelijks te inventariseren hoeveelheid regels op milieugebied die in provinciale en gemeentelijke verordeningen zijn vastgelegd. 'Een complex geheel', concludeert het openbaar ministerie droogjes. Een hoeveelheid regels die overigens niet alleen voor Justitie moeilijk te doorgronden is maar ook voor de particulier en het bedrijf dat er aan moet voldoen.

De milieuwetgeving is voor het overgrote deel bestuurlijke wetgeving: de nadruk ligt op het verlenen van vergunningen en het stellen van voorwaarden. De instantie die de voorwaarden stelt is belast met toezicht en controle op de naleving van de voorschriften. Sancties zijn in de eerste plaats nog steeds administratief van aard bijvoorbeeld het intrekken van een vergunning en pas als dit niet werkt is er een taak voor de strafrechtshandhaver. Procureur-generaal in Amsterdam mr. J. de Ruiter kondigt evenwel aan dat het strafrecht voortaan niet meer als 'uiterste middel' zal worden gebruikt om overtreders aan te pakken. Justitie gaat actiever optreden.

Voor Justitie is het lastig dat gemeenten nog steeds te kort schieten bij het stellen van voorwaarden aan instanties of bedrijven die mogelijk schadelijke activiteiten ontplooien. Uit een inventarisatie van 1977 bleek dat van de ongeveer 300.000 inrichtingen die op grond van de Hinderwet aan bepaalde voorwaarden zouden moeten voldoen, er slechts zo'n 120.000 in het bezit zijn van een vergunning. Veertig procent van die vergunningen zijn ook nog eens ontoereikend. Dat beeld is volgens het OM dertien jaar later niet verbeterd.

In veel gemeenten wordt het opereren van bedrijven die geen of onvoldoende vergunningen hebben, gedoogd. Al dan niet omdat de lagere overheden vaak te weinig mensen of deskundigheid in huis hebben om stringenter te kunnen optreden. Dit gedoogbeleid maakt het voor Justitie moeilijk om bedrijven vervolgens wel via de strafrechter aan te spreken. Onmogelijk is het echter niet zoals de Hoge Raad in de zogeheten DSM-zaak in 1985 bepaalde. Het hoogste rechtscollege bepaalde toen dat het OM niet gebonden is aan ambtelijke toezeggingen waaruit zou blijken dat het niet naleven van vergunningen door de vingers zou worden gezien.

Om er voor te zorgen dat de overheid in de toekomst nadrukkelijker als een eenheid opereert, kondigt het openbaar ministerie aan te zullen streven naar een betere coordinatie tussen bestuur, politie en Justitie. Officieren van justitie worden opgeroepen erop bedacht te zijn de landsadvocaat tijdig te informeren over strafrechtelijke acties die worden ondernomen. Zo kan het openbaar ministerie bereiken dat de Staat der Nederlanden ook langs civielrechtelijke weg overtreders kan aanpakken en de schade kan verhalen.

Justitie stelt zich in het plan van aanpak van de milieu-criminaliteit ook ten doel de regels op het milieugebied systematisch op effectiviteit te evalueren. De opstelling van wetten voldoet niet altijd. De eerste grote strafzaak gebaseerd op de Wet chemische afvalstoffen in 1987, de zogeheten Chemixzaak, moest het openbaar ministerie 'na een jaar intensief opsporingsonderzoek' laten rusten omdat bleek dat de wettelijke definitie van 'afgewerkte olie' zo ruim was geformuleerd dat er wel vrijspraak moest volgen.

    • Marcel Haenen