Onwaarschijnlijk rode boerderijen in het groen

Hoewel hij in zijn lange leven de voor veel schilders van zijn generatie gebruikelijke buitenlandse reizen maakte (Duitsland, Frankrijk, Italie, Zwitserland), is Jan Altink (1885-1971) altijd een overtuigde Groninger, een stadjer, gebleven. Hij werd er in het gezin van een veeboer geboren, werkte er als huisschilder, bezocht er Minerva, toen nog een kunstnijverheidschool, werd er leraar tekenen, was er een der oprichters van het kunstenaarsgenootschap De Ploeg en zocht in de stad en het omringende platteland zijn motieven.

Een mooie selectie uit zijn oeuvre, afkomstig uit het Groninger Museum en uit particulier bezit, is nu bijeengebracht in de Synagoge in het centrum van de haar 950-jarig bestaan vierende stad. Dat jubileum was de aanleiding voor deze expositie, waar de nadruk ligt op Altinks schilderijen, tekeningen en etsen uit de jaren twintig, toen De Ploeg een rol van belang speelde in het leven van veel Groningse schilders. Het genootschap was in 1918 ontstaan, de expressionisten die er deel van uitmaakten waren onder de indruk van Van Gogh, maar zouden hun werk toch vooral gaan richten naar de opvattingen van de Duitse expressionisten uit de Dresdener groep Die Brucke. De Duitsers verhoogden de emotionele bedoelingen van hun werk door een fauvistisch, contrasterend kleurgebruik en door bijna agressieve vervormingen en structuren. Het was Jan Wiegers die hun visie naar Groningen bracht, nadat hij in Zwitserland kennis had gemaakt met de Brucke-schilder Ernst Ludwig Kirchner en onder diens invloed was gekomen.

Hoe gretig Jan Altink, die in de jaren twintig toch al tegen de veertig liep, de Duitse heftigheid heeft opgezogen en toegepast is al bij de eerste schreden in de Synagoge te zien. Altink gebruikte de hem aangeboden nieuwe mogelijkheden om de oude motieven te verlevendigen en te dramatiseren. Het lijkt er op of hij plotseling een thematiek waarop hij uitgekeken raakte in een nieuw licht zag en daar blij mee was. In 1925 bijvoorbeeld zette hij Het witte paard voor een hooiwagen onder een paarse lucht die aan het land beneden en vooral aan de op te laden oppers hooi een vreemde gloed meegeeft. Alleen het paard is onaantastbaar, het blijft helder en stralend wit. Twee jaar later situeerde hij Rode koeien in een door fel geel en groener dan groen beheerste omgeving, waarin op twee andere schilderijen ook onwaarschijnlijk rode boerderijen passen. Het verhevigen van het gewone blijkt ook prachtig uit het schilderij Na het bezoek. We zien twee vrouwen die een wegrijdende sjees nakijken. De wagen is al in de verte, maar de vrouwen zullen blijven staan tot het vertrekkende bezoek uit het gezicht verdwenen is. Het was niet zomaar een visite. Dat blijkt op de een of andere manier uit de fel oranje weg die naar de horizon voert, uit het blauw en rood in de boezelaars van de vrouwen. Steeds weet Altink de in hem woelende emoties mee te delen aan neutrale onderwerpen. Hij is dat heel lang blijven doen, zoals blijkt uit De drie zonnen uit 1953, waarin drie door sneeuw gedekte hooibergen fel wit licht uitstralen in een onbarmhartig koud landschap.

Vooral in enkele etsen komt Van Goghs invloed op Altink tot uiting. Hij past dan de techniek van diens snelle wervellijnen toe maar niet, zoals Van Gogh deed, om de intensiteit van het in de hitte rondtollende licht aan te duiden. Altink suggereert er de beweging in het gebladerte van door de wind beroerde Groningse bomen mee.

Vertekening en fauvistische verheviging kenmerken ook enkele portretten die op de tentoonstelling hangen, portretten van nabije vrienden en kennissen. Daaronder is dat van vriend en collega H. N. Werkman van omstreeks 1930 een hoogtepunt. Tegelijkertijd raadselachtig en onthullend is Altinks zelfportret uit 1938. Daar volstaat hij met de bijna academische benadering van een oudere, kalende man met een tot een halve centimeter opgerookt peukje tussen de lippen.