Natuurlijk, puur maar wel giftig

Wie trekt er niet liever een schaap aan dan een vat aardolie? De kritische consument van vandaag zweert nog steeds bij truien van zuiver scheerwol en overhemden van honderd procent katoen. Hij leest dus nauwgezet de etiketjes in de winkel, want voor hij het weet heeft hij zich aan een mengsel met acryl of polyester bekocht. Hij mag dan dagelijks met de auto naar zijn werk rijden, verfresten door de gootsteen spoelen en batterijen in de prullenbak gooien, hij gaat wel gekleed in natuurlijk textiel. Liever niets dan namaak.

Sommige kledingfabrikanten hebben, in navolging van de voedings- en gezondheidsindustrie, de magische werking van het woord 'natuur' al opgepikt. Behalve dat stoffen als katoen, wol en linnen prettig dragen is hun puur-natuur-uitstraling immers een krachtige koopstimulans voor de klant die zich van de milieuproblematiek bewust is. We only use nature's materials verzekert Marc O'Polo op de labels aan zijn kledingstukken. De internationale kledinggigant Esprit, die het altijd al meer van image-building moest hebben dan van een bijzondere snit, verzekert zijn klanten sinds dit voorjaar in zijn op kringlooppapier gedrukte catalogi dat het milieu hem bovenal ter harte gaat. En ook een instelling als het Internationale Wolsecretariaat doet er alles aan om wol als een 'hoogwaardig natuurprodukt' te presenteren. Maar is het werkelijk zo dat de populariteit van katoen, wol, linnen en zijde niets dan goed nieuws betekent voor het milieu? Nee, meent Albert Klingenberg, chemicus en medewerker van de Stichting Natuur en Milieu in Utrecht. En dan spreekt hij nog niet eens over de gigantische milieuproblemen die de teelt van bij voorbeeld katoen veroorzaakt in landen als de Sovjet-Unie. Klingenberg verrichtte in 1986 een door het ministerie van VROM gesubsidieerd onderzoek naar het gebruik van chemicalien in de textielindustrie. Daarmee is hij een van de weinige specialisten in Nederland die een overzicht hebben van de milieuproblemen die er kleven aan de fabricage van textiel. Van het ministerie van WVC tot en met het Vezelinstituut van de onderzoeksinstelling TNO verwees men bij navraag opvallend vaak naar zijn studie. Bij de overheid waren tot nog toe relatief weinig exacte gegevens bekend over wat er in het afvalwater van de bedrijfstak voorkomt.

Een van de redenen voor die onbekendheid is dat met name in de textielveredelingsindustrie duizenden verschillende chemicalien in gebruik zijn. Volgens Klingenberg vallen chemici overigens 'niet echt om' van de meeste chemicalien die men aanwendt voor de textielveredeling (alle bewerkingen na het weven), zoals die voor het bleken, glanzen, ruwen en spoelen. Anders ligt het met de stoffen die worden gebruikt om textiel te verven en om het brandwerend, waterafstotend, mot- krimp- en kreukvrij te maken. 'De lozing van die stoffen, voornamelijk op water, heeft weliswaar niet zo'n gigantische omvang, maar het veroorzaakt wel een nogal venijnige vervuiling.' Een aantal bewerkingen is volgens Klingenberg bovendien overbodig. Wie een kledingstuk van kreukvrij gemaakte katoen aanschaft heeft een gerede kans dat het bewerkt is met het giftige formaldehyde, hetzelfde gas dat een paar jaar geleden uit spaanplaat bleek vrij te komen. En het rot- en schimmelwerend maken van katoen en het motwerend maken van wol gebeurt bijvoorbeeld met bestrijdingsmiddelen. Hoeveel de textielindustrie daarvan precies loost is onbekend, maar het is in elk geval enkele tonnen per jaar.

Een woordvoerder van het Internationale Wolsecretariaat (IWS) bevestigt dat zijn organisatie het motwerend maken van tapijt en meubelstoffen in Nederland verplicht stelt. 'Wij willen klachten over schade door mottenvraat voorkomen. Voor wollen gordijnstoffen bevelen we het echter niet aan, net zomin als voor kleding en dekens bestemd voor consumenten. Die produkten zijn veel mobieler dan meubelstoffen en komen vaker in het licht, daar houden motten niet van. Het lijkt ons trouwens ook geen goed idee om de consument elke nacht onder een met insekticiden behandelde deken te laten slapen.

De militaire overheden laten de dekens en de wollen kleding van soldaten behandelen.' Wol vervilt, of krimpt, bij vaak wassen. Maar ook daar is wat op gevonden. Het IWS: 'Bijna alle wollen kleding die vaak en bij 40 graden gewassen moet worden, zoals sokken en truien, is tegenwoordig krimpvrij gemaakt. Dat gebeurt veelal met epichloorhydrine.' Deze gegevens zijn nieuw voor Klingenberg: 'Hoe halen ze het in hun hoofd. Epichloorhydrine is een zeer giftige stof die voor dieren kankerverwekkend is gebleken, en dat naar alle waarschijnlijkheid ook voor mensen is. Het gebruik ervan is absoluut ongewenst. 'De grootste milieuschade veroorzaken echter de kleurstoffen. Klingenberg: 'De textielindustrie is de grootste verbruiker van kleurstoffen in ons land. Die kleurstoffen zijn bijna allemaal slecht afbreekbaar, en stapelen zich dus op in het milieu. Een deel van die stoffen, pakweg een tiende, is bovendien giftig voor vissen en andere waterorganismen. Een voor de mens zeer schadelijke groep kleurstoffen, de benzidine-analoge verbindingen (BAK), wordt al sinds de jaren zeventig niet meer in Europa geproduceerd. Werknemers in de textielindustrie bleken er neus- en blaaskanker van te krijgen. Derde-wereldlanden produceren ze echter nog wel. En omdat er geen importverbod geldt, duiken ze in Nederland nog steeds hier en daar op.' Ingenieur J. Groot Wassink, hoogleraar in de procestechniek aan de Technische Universiteit Twente en gespecialiseerd in de textielveredeling, beaamt dat de kleurstoffen een belasting zijn voor het milieu. Volgens hem is de industrie zich daarvan bewust, en werkt zij hard aan verbeteringen.

'Een groot probleem vormen ook de organische oplosmiddelen die nodig zijn bij het verven, zoals hexaan. Tegenwoordig geeft men echter steeds meer de voorkeur aan kleurstoffen die oplosbaar zijn in water. Daarnaast probeert men de schade aan het milieu te beperken door het rendement van de gebruikte stoffen te vergroten, bijvoorbeeld door hergebruik van verfbaden.'De textielveredelingsindustrie heeft ook geen andere keus. Sinds juni van dit jaar valt zij onder de Wet Verontreiniging Oppervlaktewater. Dat betekent dat zij voor het eerst vergunningen moet aanvragen voor haar afvalwaterlozingen. KRL, de brancheorganisatie van de Nederlandse textielindustrie, zet op het moment een textiel-milieudatabank op in samenwerking met TNO. Daarin zijn inmiddels reeds elfduizend van de bij de industrietak in gebruik zijnde stoffen opgenomen, en het einde is nog niet in zicht. Aangesloten bedrijven, zegt KRL, kunnen stoffen die ze willen gaan gebruiken aanmelden. De databank levert dan een overzicht van de eigenschappen. Dit moet het aanvragen van de lozingsvergunningen vereenvoudigen.