Het Roomse Rijk van het Midden

Op 16 november belegt de Nederlandse Sociologische en Antropologische Vereniging een studieconferentie met als thema 'Het bijzondere van Nederland in Europa: een sociaal-wetenschappelijke bijdrage vanuit het internationale comparatieve onderzoek'. Uit de toelichting bij het bericht blijkt duidelijk dat de vereniging zich heeft laten inspireren door actuele gebeurtenissen, met name de wording van een Europa zonder grenzen en de Europese opening naar het Oosten. Zoals zovelen stellen ook de organisatoren de intrigerende vraag wat eigenlijk het specifieke van Nederland is, nu en in de toekomst. De mededeling bereikte mij toen ik verdiept was in het charmante reisboek dat de jonge Italiaanse schrijver Edmondo de Amicis meer dan een eeuw geleden over ons land schreef. Het werd onlangs opnieuw uitgegeven onder de titel Nederland en zijn bewoners.

Wat mij trof, was de route die De Amicis volgde. Hij begint zijn reis in Zeeland, bezoekt een aantal steden in wat later de Randstad zou gaan heten van Rotterdam tot Den Helder , bereist dan Friesland, wat vluchtiger Groningen en zakt tenslotte naar Arnhem af waar hij de terugreis naar Italie onderneemt.

Hij is dan eigenlijk al uitgekeken. Wie uit het zuiden van Europa komt, wil Holland zien: daar en alleen daar vindt hij wat hij zoekt, een land en een samenleving met zeer eigen trekken, afwijkend van alles wat elders op het continent is te vinden. Om die reden, zegt de schrijver openhartig, sloeg hij Limburg en Noord-Brabant helemaal over: 'de twee enige provincies van Nederland die ik niet nodig achtte te bezoeken' (pag. 308). Het klinkt niet erg aardig, zeker niet in de oren van iemand die een geboren Maastrichtenaar is, maar ik begrijp des te beter wat hij bedoelt. Hij is op zoek naar 'Holland', niet naar 'Nederland', een twee-eenheid waartussen zeker in 1873 nog grote verschillen bestonden.

Trouwens, iedereen die over ons land schrijft zal tot op de dag van vandaag die verschillen opmerken. Zeker indien hij de moeite neemt de historische wortels uit te graven, zal hij ertoe moeten besluiten een keuze te doen: vasthouden aan de naderhand ontstane, heterogene culturele eenheid die Nederland heet, dan wel alle aandacht richten op de westelijke provincies die vanouds het kerngebied hebben gevormd (Voorzichtig: 'vanouds' duidt op de Nieuwe Tijd, niet op de Middeleeuwen.). Er is nog een andere mogelijkheid, namelijk de grens trekken waar zij vaak wordt gelegd: tussen het gebied benoorden en bezuiden de grote rivieren. Al zijn er aanzienlijke verschillen tussen de zee- en de landprovincies, voor zover ze benoorden de Moerdijk zijn gesitueerd, kennen ze een eeuwenlange geschiedenis van lotsverbondenheid.

Alleen Brabant en Limburg vallen erbuiten: ze vormden een bufferzone, geen integrerend en gerespecteerd deel van de nieuwe natie die zich sinds de zestiende eeuw begon te vormen.

Het aanbrengen van deze scheidslijn heeft het grote voordeel dat we in zuidelijke richting de staatkundige grens kunnen relativeren. Reeds wie oppervlakkig de kaart bekijkt, zal het opvallen dat er een Nederlands en een Belgisch Brabant bestaat, een Nederlands en een Belgisch Limburg. Er is hier iets doorgesneden dat ooit bijeenhoorde. Er is een politieke kunstgreep toegepast. Het is waar dat deze voorstelling van zaken te eenvoudig is. Het is tevens waar dat de grens tussen Nederland en Belgie al anderhalve eeuw bestaat en zich inmiddels duchtig heeft laten voelen. Het is niet alleen mevrouw d'Ancona die van mening is dat Antwerpen verder van Den Haag ligt dan Maastricht. Zo voelen vele Hollanders het, en ze hebben geen ongelijk.

Ooit was dat anders. Ten tijde van de Belgische Opstand, in 1830, zonden de Limburgse kiezers spontaan afgevaardigden naar de Brusselse volksvertegenwoordiging. Alleen een 'Hollandse' militaire bezetting in de grote Maassteden kon voorkomen dat de provincie zich van Nederland afscheidde. Echter, toen in 1918 de Belgen alsnog aanspraak maakten op Nederlands Limburg, ging de bevolking er de straat op om te protesteren: men was 'Nederlander' geworden.

De discussie was daarmee voorgoed gesloten. Toch zijn er wel kanttekeningen te maken bij het Nederlanderschap van de beneden-Moerdijkse bevolking. Is hier niet sprake van een historische constructie, een creatie van nationaliteit, een soort 'invention of tradition'? Mij dunkt dat dit inderdaad het geval is. De zuidelijke provincies van ons land zijn in de laatste eeuw eenvoudigweg 'meegenomen' in het omvattende proces dat wel 'de eenwording van Nederland' is genoemd. Het net dat de moderne natie-staat over heel de bevolking heeft uitgeworpen en dichtgeknoopt, heeft geen uitzonderingen gemaakt. Het verbindt alle Nederlanders op duizend manieren met elkaar en met de overheid, de nationale instellingen en het nationale beleid.

De Nederlandse natie is in die zin een kunstprodukt, het resultaat van een langdurig volgehouden politieke inspanning. Wie dit erkent, mag op zoek gaan naar alternatieve constructies. Vooral historici, die als het goed is een fijne neus hebben voor de rol van het toeval in de geschiedenis, zullen vraagtekens zetten bij de heldere lijnen op de staatkundige kaarten. Bekend werd met name Geyl die zijn leven lang gepoogd heeft, over de zuidgrens heen, een Groot-Nederlandse identiteit te schetsen, politiek actueel gemaakt in de Groot-Nederlandse beweging.

Veel boeiender vind ik echter de opvatting dat er niet aan een alomvattend Groot-Nederland moet worden gedacht, maar aan een Noord- en een 'Midden-Nederland', het laatste bestaande uit het gebied tussen de Moerdijk in het noorden en de taalgrens in het zuiden. C. Gerretson was een bekende verdediger van die conceptie.

Het gaat mij niet om de politieke implicaties van die conceptie maar om de analytische mogelijkheden. Wat hier Midden-Nederland wordt genoemd, is vanouds een rooms bastion, bij uitstek het land van de katholieke zuil, homogener en traditioneler dan zowel de noordelijke Nederlanden als het Wallonie ten zuiden ervan. Het kent een gemeenschappelijke historie van uitbuiting en bedreiging van buitenaf. Het heeft zich onder leiding van de kerk geemancipeerd, en heeft vervolgens de moderne invloeden gefilterd toegelaten.

Wat de actualiteit betreft: zowel Nederlands Brabant en Limburg als wat gemakshalve wordt genoemd Vlaanderen hebben zich in de laatste decennia economisch zeer voorspoedig ontwikkeld. Ze vormen tezamen een wordend zwaartepunt in het komende Europa zonder grenzen.

Resteert de vraag of dit alles, in verleden en heden, toereikend is als basis voor de vorming van een nieuwe, midden-Nederlandse identiteit. Dat betwijfel ik. Niettemin lijkt het mij toe dat de Nederlandse Sociologische en Antropologische Vereniging geen genoegen zou moeten nemen met grenzen die de staatkunde heeft getrokken, maar zich dient te verdiepen in de onderliggende maatschappelijke realiteit. Dit doende, zal zij ontdekken dat 'het specifieke van Nederland' niet gemakkelijk is te omschrijven. Er zijn meer 'Nederlanden'.

    • J. A. A. van Doorn