Het krantje van vijf alfa

'Shit, is het leven niet een grote lukrake zwabbelstap?', zo luidt deretorische vraag die Joris Baudoin en Douwe Jan Wiersma opwerpen in Degrot van Plato, een film die eigenlijk alleen die naam mag hebben, omdater 85 minuten lang celluloid door de projector trekt. Op bij elkaargebedeld, overwegend zwart-wit-materiaal legden de uit de beeldende kunstwereld afkomstige Baudoin en Wiersma gedurende drie jaar lang door hun vrienden 'geacteerde' scenetjes vast. Van regie kun je nauwelijks spreken, het zijn meer willekeurige home movies, structuurloos en zonder geluid. Twee jongens rijden op een mobylette langs het havenfront, er wordt gebiljart en gepokerd, een andere vriend woont buiten de stad, een meisje maakt schilderijen, een ander schilderij, dat voor een Van Gogh moet doorgaan, komt toevallig in handen van de beide helden. Een boom valt om op een schaakbord, de brommer wordt vermorzeld, een parachutist landt in de tuin.

De montage lijkt inderdaad nog het meest op lukraak gezwabbel, maar een eervolle vermelding op een festival voor amateur-smalfilmers zou er waarschijnlijk wel ingezeten hebben, als die beelden zwijgend gebleven waren. Helaas werd achteraf een commentaartekst ingesproken, die de film pas echt de das omdoet. Het pretentieuze proza, dat voortdurend tracht pas verworven kennis over de cultuurgeschiedenis en pessimisme over ons onzekere tijdsgewricht in onderlinge samenhang te brengen, doet nog het meest denken aan de schoolkrant van vijf alfa: 'Het darwinisme in diskrediet. Wat rest ons aan geluk. Bemoeizucht met anderen. Tegenstrijdig en inconsequent ben ik, maar rechtschapen en rationeel. Ik zuip iedereen onder tafel en leg ondertussen de allegorie van de grot van Plato uit. (...) Valse clou's, gemangelde micro-economische consumptie, intriges van de bourgeoisie.' Zo wauwelt dat maar door, over Nietzsche, de ozonlaag, het vagevuur en de stijgende koers van de yen. Over de twee meest in beeld verschijnende jongens wordt gemeld dat ze zich 'als geroutineerde werkontwijkers wijden aan de kunst om van verveling een deugd te maken'. Wie op die manier zalig denkt te worden, moet vooral doen wat hij niet laten kan, en misschien is het maken van een film uit verveling nog zo'n gek idee niet. Het is de vraag of je er anderen dan je eigen vriendenclubje dan nog mee lastig moet vallen. Degenen die Baudoin en Wiersma hebben wijsgemaakt dat hun film openbare vertoning waard zou zijn, en zelfs aanzetten tot een aanvrage achteraf tot subsidie van het Filmfonds (uiteraard afgewezen), hadden beter moeten weten. Zo werp je twee 'filmmakers in spe, wars van pretentie, wars van carrieredrang' voor de leeuwen, zonder henzelf of iemand anders daar een plezier mee te doen.