De punks van Fugazi schreeuwen het uit

De transatlantische interpretatie van de Engelse punk heeft in veel gevallen muziek opgeleverd die voor een groter publiek interessant is. Anders dan de Britse punks, die zongen over de frustraties over de onder Thatcher ontstane wantoestanden in hun omgeving, hebben de onderwerpen van hun Amerikaanse pendanten een breder draagvlak. Een voorbeeld hiervan is het uit Washington afkomstige viermanschap Fugazi. Vervreemding en eenzaamheid van het individu in de bureaucratische samenleving, zoals dat in hun nummers aan de orde komt, zijn gevoelens die ook voor anderen dan alleen de inwoners van hun stad begrijpelijk zijn. Dank zij het succes van hun twee mini lp's en de onlangs verschenen plaat Repeater staat Fugazi voor de tweede keer binnen een jaar op de Nederlandse podia. Dit succes is mede het gevolg van de muzikale variatie, die ze in het aloude punkidioom hebben gebracht. Zanger/gitarist Ian MacKaye met zijn Popeye-mimiek, die vroeger deel uitmaakte van de hardcore-groep Minor Threat, heeft nog enigszins de ongearticuleerde woede in zijn stem die de punk ooit kenmerkte, maar zanger/gitarist Guy Picciotto klinkt vooral klagelijk. Het geluid van Fugazi is vaak sober; puntige gitaaraccenten ondersteunen de heldere drums, reggae-achtige bas. Ieder nummer begint rustig, waarna het in het refrein onveranderlijk tot een uitbarsting komt. De gitaren klinken als een oorverdovende branding terwijl de zangers uitschreeuwen waar het nu werkelijk om gaat. Dit tot vreugde van de toeschouwers die leken te wachten op de snelle stukken om zich in het dansgewoel te kunnen storten. Door de vele variaties binnen de nummers was dit niet steeds mogelijk; de heren wisselden soms plotseling van tempo en dan stond het dansgrage publiek op het verkeerde been.