Arbeidstijdverkorting vergt maatwerk

ROTTERDAM, 6 sept. Geruggesteund door ledenwinst hebben de Voedingsbond en de Vervoersbond van de FNV deze week nadrukkelijk gepleit voor geleidelijke invoering van een vierdaagse werkweek. Daarmee scharen ze zich naast de Dienstenbond FNV in de voorhoede van hun vakcentrale, die zich vorig jaar uitsprak voor een gemiddelde werkweek van 35 uur in 1993. De eisen van deze FNV-bonden voor de komende onderhandelingen over collectieve arbeidsvoorwaarden laten aan duidelijkheid niet te wensen over: prijscompensatie (2,5 procent), loonsverhoging (1 procent) en verbetering van arbeidsvoorwaarden, waaronder een verdere arbeidstijdverkorting (ATV, ruim 2 procent). Deze volgorde is niet onbelangrijk: eerst meer geld, daarna korter werken met behoud van loon. De leden moeten zich over dit pakket weliswaar nog uitspreken, maar het is niet waarschijnlijk dat zij de accenten wezenlijk anders zullen leggen.

De meeste werknemers maken op het ogenblik werkweken van gemiddeld 38 uur. Tussen de tien en twintig procent zit op 36 uur, een aantal dat meestal wordt bereikt door een hele reeks halve of hele vrije dagen. In grote lijnen is deze verdeling het resultaat van het ATV-offensief dat de vakbeweging tussen 1982 en 1986 voerde in ruil voor loonmatiging. In de periode 1983-1987 nam de werkgelegenheid als gevolg van arbeidstijdverkorting in de marktsector toe met 34.000 personen, bij de overheid met 26.000 personen en bij de gepremieerde en gesubsidieerde sector met 15.000 personen. Maar dit totaal van ongeveer 75.000 personen is veel minder dan de uitbreiding die bij vijf procent arbeidstijdverkorting en volledige herbezetting mocht worden verwacht. Mede hierdoor werd het na 1986 stil rondom het thema korter werken. Het doel dat de FNV in 1985 nog koos ('32 uur in 1990') bleek onhaalbaar.

FNV-voorzitter J. Stekelenburg kondigde vorig jaar een 'nieuw massief offensief' voor korter werken aan. Systematisch volgehouden arbeidstijdverkorting met herbezetting achtte hij een adequate remedie tegen de aanhoudend hoge werkloosheid. Maar onder de grootste FNV-bonden, AbvaKabo en Industriebond, bleek de animo niet groot. De ambtenaren lopen liever eerst de salarisachterstand op de marktsector in. En in de bedrijven waart nog de kater rond van de vorige ATV-ronde, die vooral tot hogere werkdruk leidde.

Tegen deze achtergrond lijkt het door de FNV-voorzitter beoogde 'massieve offensief' gedoemd te mislukken. In dit verband is ook het verschil in ATV-tempo dat de Vervoersbond en de Voedingsbond voor ogen staat van betekenis. De eerste streeft naar 'haalbare tussenstappen', terwijl de laatste voorkeur heeft voor 'een grote stap ineens' om de werkgevers tot herbezetting te dwingen en te voorkomen dat er alleen op papier nieuwe werkgelegenheid bijkomt. Daarbij realiseert de Voedingsbond zich overigens dat het in industriele sectoren, waarin al met dienstroosters wordt gewerkt, gemakkelijker zal zijn een vierdaagse werkweek door te voeren dan in winkels en kleinere bedrijven.

In plaats van een 'nieuw massief offensief' tekent zich veeleer een gedifferentieerde benadering af, waarin rekening wordt gehouden met de financiele en organisatorische mogelijkheden per sector of per bedrijf. Voor dergelijk maatwerk zullen aanzienlijk meer werkgevers te porren zijn, zoals ook doorklonk in de reactie van NOB-wegtransport, de grootste organisatie in het wegvervoer, op de CAO-eisen.

In de motivering van verdergaande arbeidstijdverkorting verwijzen de drie FNV-bonden naar de onaanvaardbaar hoge werkloosheid en de groeiende belangstelling voor vrije tijd. Met het eerste argument sluit het vierdaagse-pleidooi van de bonden aan op het beroep dat premier Lubbers ('Nederland is ziek') deze week deed op de maatschappelijke organisaties bij het terugdringen van werkloosheid, ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid. Daarentegen kan uit het eveneens deze week gepresenteerde rapport van het Sociaal- en Cultureel Planbureau niet worden geconcludeerd dat Nederlanders meer vrije tijd willen. Wel dat zij aan vrijetijdsgenoegens al relatief veel geld besteden.

Veranderingen in vrijetijdsbesteding en vrijetijdsbeleving duiden eerder op een groeiende behoefte aan vrije tijd op een zelf gekozen moment in plaats van op een collectief voorgeschreven moment. Dat zou niet zozeer duiden op belangstelling voor een korter werken als wel voor flexibeler werken. Een combinatie is denkbaar, maar op de weg die daarheen leidt hebben dezelfde FNV-bonden twee obstakels geplaatst door de banvloek uit te spreken over langer werken dan 8,5 uur per dag en door vast te houden aan de zaterdag als 'bijzondere' dag waarop extra toeslagen betaald dienen te worden.

    • Joop Meijnen