Affaire-Buck: gedragscode is zo gek nog niet

In april, kort na de sensationele presentatie van de AIDS-vondst van Buck en Goudsmit, riep de Stichting Bio-Wetenschappen en Maatschappij op tot het opstellen van gedragscodes voor onderzoekers en journalisten bij de bekendmaking van 'patientgevoelig' wetenschappelijk nieuws. Pas na het echec van vorige week begint dit voorstel de aandacht te krijgen die het verdient.

Over het hoe en waarom van gedragscodes blijkt hier en daar onduidelijkheid te bestaan. Zo schreef journalist E. J. Boer afgelopen dinsdag op deze plaats in een pleidooi tegen gedragscodes dat deze niet nodig zijn, omdat het systeem in alle opzichten zou hebben gefunctioneerd. De wetenschappelijke dwaling van Buck en Goudsmit is immers snel aan het licht getreden en het publiek is daarover naar behoren geinformeerd.

Dit argument gaat echter voorbij aan het werkelijke probleem, want het kwaad is intussen wel degelijk geschied. Duizenden seropositieven en AIDS-patienten hebben maandenlang volkomen onnodig valse hoop gekoesterd en het leed dat dit heeft veroorzaakt, kan moeilijk worden overschat. In die zin heeft het systeem dus helemaal niet gefunctioneerd, heeft het zelfs een averechtse werking gehad.

Boer schrijft ook dat een code 'aan het gedrag van de media niets had veranderd', want 'als een wetenschapelijk blad van het kaliber van Science de vondst publiceert, wie zijn dan de dagbladen dat ze even de ondeugdelijkheid van de vondst aan het licht zullen brengen?' Ook dit argument raakt niet de kern van de zaak. Natuurlijk kan zelfs van de scherpste wetenschapsjournalist niet worden verwacht dat hij deskundiger is dan de deskundigen zelf. Niet de beoordeling van de technische merites van de vinding was dan ook in het geding, maar de prominentie waarmee deze in het nieuws werd gebracht.

Dat de wetenschappelijke basis voor het verhaal van Buck en Goudsmit achteraf blijkt te ontbreken, staat geheel los van het journalistiek-ethische probleem. Ook wanneer de vinding inderdaad binnen twee jaar tot een geneesmiddel tegen AIDS had geleid en de beide onderzoekers de Nobelprijs hadden gekregen, zou de presentatie nog steeds voorbarig en onjuist zijn geweest. Want twee dingen stonden bij de presentatie van de vondst in april als een paal boven water: 1) zij was gericht op een therapie voor een tot nog toe ongeneeslijke ziekte en 2) zij was van een exploratief, fundamenteel karakter, dat wil zeggen: ver verwijderd van een eventuele klinische toepassing.

Bij de medische journalist gaat er in zulke gevallen een rood lampje branden, want hij weet maar al te goed hoe lang en vol valkuilen de weg is tussen een veelbelovend laboratoriumresultaat en een effectief geneesmiddel. Duizend en een dingen kunnen roet in het eten strooien voordat je van een geslaagde proef in vitro (in de reageerbuis) bent aangeland bij de eerste genezen patient.

De combinatie van de twee bovengemelde feiten behoort voor een serieus medium aanleiding te zijn het nieuws met terughoudendheid te brengen, ook als de onderzoeker zelf alle gebruikelijke voorzichtigheid laat varen. Dat betekent in de praktijk: ofwel kort en feitelijk, ofwel uitgebreid en kritisch.

Het vooraf getipte NOS-Journaal deed niet alleen geen van beide, maar pakte, belust op een primeur, tot twee maal toe uit op een sensationele manier die in Nederland nauwelijks eerder is vertoond. Het lapte daarmee de ongeschreven normen en waarden van verantwoordelijke medische journalistiek aan de laars. Een vergelijkbare onkritische houding spreidden Buck en de persdienst van de Technische Universiteit Eindhoven ten toon door het televisie-spektakel zonder een kik te laten passeren, ja er zelfs op aan te sturen.

Elk van deze drie partijen had kunnen voorkomen, dat de zaak zo opgeblazen in de publiciteit kwam. En elk van deze drie partijen heeft inmiddels door de pijnlijke afloop van de affaire meer dan genoeg averij opgelopen. Ze verketteren is dan ook niet aan de orde; wel moet de vraag worden gesteld hoe een herhaling in de toekomst kan worden voorkomen.

De vraag is, wat gedragscodes daar aan kunnen bijdragen. In repressieve zin in elk geval niets, want een gedragscode is geen dwingende regel en allerminst bedoeld om de vrijheid van meningsuiting van wie dan ook te beknotten. Wie elke dag wil berichten dat er een genezing voor kanker is gevonden, moet dat ongestoord kunnen blijven doen.

Maar in preventieve zin zou een gedragscode misschien enige vruchten kunnen afwerpen, wanneer hij de neerslag is van de normen en waarden die door het merendeel van de onderzoekers en journalisten in de praktijk al worden gerespecteerd. Wanneer iemand die normen en waarden met voeten wil treden, weet hij tenminste dat hij zich buiten de consensus van zijn vakbroeders plaatst. Een verslaggever bij een sensatiekraint zal dat misschien een zorg zijn, maar dat geldt naar men mag hopen niet voor een NOS-redacteur die oprecht streeft naar een evenwichtige berichtgeving.

    • Felix Eijgenraam