'Uitstoot van kooldioxide moet nog veel verder terug'

DEN HAAG, 5 sept. Muurvast zit het internationale overleg over maatregelen tegen de wereldwijde klimaatsverandering beslist niet. 'Stapje voor stapje is er vooruitgang, maar die gaat wel in het tempo van de langzaamste partners. Dat zijn zowel de Verenigde Staten als de Sovjet-Unie', zegt dr. P. Vellinga, de hoofdambtenaar van Alders' ministerie van milieubeheer. Hij houdt zich vooral bezig met alle problemen op het gebied van klimaatsverandering, het broeikaseffect en de CO-produktie, de uitstoot van kooldioxide. Met deze vorm van milieu-aantasting behoort Nederland (3,6 ton per hoofd van bevolking) tot de zes grootste contribuanten op de wereld.

Vellinga is net terug uit Zweden. In Sundsvall nam hij deel aan een conferentie van het intergouvernementele panel over klimaatsverandering, een groep van wetenschappers en milieuambtenaren uit 75 landen. Zij bogen zich opnieuw over de vraag of er werkelijk zoiets als klimaatsverandering gaande is, hoe die ontstaat en wat er tegen gedaan zou kunnen worden. Ze werden het eens in Zweden. Vellinga is daar verheugd over. Eindelijk hebben ook de Amerikaanse en Russische regering, maar ook die van andere landen, erkend dat het klimaat verandert en dat het op aarde steeds warmer wordt, mogelijk zelfs met drie tot vier graden Celsius in de volgende eeuw.

De oorzaak daarvan ligt vooral in de kooldioxide-produktie door verbranding van fossiele brandstoffen en het hoge energieverbruik. Gaat men daarmee op de oude voet door dan ligt de mondiale CO-uitstoot, die voor driekwart door de geindustrialiseerde landen wordt veroorzaakt, in 2000 42 procent en in 2025 141 procent hoger dan in 1985 het geval was.

Op de voorgaande klimaatconferentie, vorig jaar november in Noordwijk, waren over deze 'autonome groei' al alarmerende geluiden te horen. Toch slaagde de ministersconferentie er niet in tot overeenstemming te komen over te nemen maatregelen. Dit jaar, op soortgelijke bijeenkomsten in het Witte Huis in Washington en in Bergen (Noorwegen), lukte dat opnieuw niet, vooral omdat Amerikaanse deskundigen en politici van mening waren dat er nog geen enkel wetenschappelijk bewijs voor klimaatsverandering bestond. Sinds Sundsvall ligt dat anders, zegt Vellinga. Over de wetenschappelijke kant van de zaak bestaat nu consensus.

Dat betekent niet dat wereldwijd spoedig tegenmaatregelen zijn te verwachten. De Verenigde Staten en de Sovjet-Unie, en ook grote olie- en steenkoollanden, zoals Saoedi-Arabie en Australie, liggen nog steeds dwars. Volgens Vellinga is dat begrijpelijk, 'want het thema van klimaatsverandering is het meest ingrijpende en politiek gevoelige milieuprobleem dat we hebben. Wil je daar wat aan doen dan leidt dat tot wereldeconomische gevolgen. Vooral in de landen met het hoogste energieverbruik en in de grote energie-exporterende landen.' Hoewel het internationale overleg over het verband tussen klimaatswijziging en CO-emissies een slakkegangetje heeft, signaleert Vellinga toch nog een lichtpunt: de noord-west Europese landen, met de Bondsrepubliek en Denemarken voorop, willen alles op alles zetten om de CO-produktie, ook in de DDR, in het begin van de volgende eeuw met 20 tot 25 procent te verminderen. Ook Nederland doet zijn best, en heeft naar minister Alders meent een 'ambitieuze doelstelling' van een vermindering van drie tot vijf procent in 2000. In Europees verband is dat 'een redelijke bijdrage', aldus Vellinga die wat de vermindering van CO-emissies zo snel mogelijk een internationale doorbraak zou willen bereiken.

Hij acht dat mogelijk door een door hem, min of meer persoonlijk, gepresenteerd krimp- en groeiplan dat eind oktober in Geneve op de tweede internationale ministersconferentie over het klimaat zal worden besproken. Deze bijeenkomst is georganiseerd door de UNEP, de VN-milieuorganisatie en de WMO, de wereld meteorologische organisatie.

Met zijn scenario denkt Vellinga dat de klimaatsverandering van drie tot vier graden tot een graad Celsius in de volgende eeuw beperkt zou kunnen worden. Daarvoor zouden alle geindustrialiseerde landen vanaf nu hun CO-emissies moeten stabiliseren en die in vijftig jaar met reeel een procent per jaar moeten verminderen. Afgezet tegen de huidige groei betekent dat in feite een CO-reductie van drie procent per jaar.

Voor de niet-geindustrialiseerde landen zou volgens Vellinga een andere strategie moeten gelden. Omdat zij nog midden in de industriele ontwikkeling zitten en hun energiebehoefte nog sterk groeit, zouden zij in de komende decennia de kooldioxideproduktie nog mogen verdubbelen maar moet dat groeimodel na 2050 in een krimp-politiek worden omgezet.

Voor West-Europa en vooral voor Nederland betekent Vellinga's scenario een intensivering van het CO-beleid. Vellinga constateert 'dat het onmiskenbaar is dat er op dit gebied in Nederland op termijn veel meer gedaan moet worden, ten minste als de klimaatsverandering zo doorgaat als nu wordt voorzien.' Op de vraag hoe dat moet, zegt hij dat zonne-energie als alternatieve energievorm op den duur een oplossing zou kunnen bieden. 'Daarvoor zou je nu met een echt heel intensief energiebesparingsprogramma (20 a 30 procent) moeten beginnen. Misschien zou de nucleaire stap, ook al moet kernenergie als mogelijkheid wel openblijven, dan overgeslagen kunnen worden.'