OLIE EN LIMONADESIROOP

In het begin van de jaren tachtig was de personal computer piepjong en heette hij nog niet eens PC. Ook toen al werden er spelletjes mee gespeeld. Je kon met je Apple-tje, Tandy of Commodore-tje schaken, yahtzee spelen, eenentwintigen of pacmannen. Er waren ook nog educatiever mogelijkheden. Zo bestond het spelletje 'lemonade'. Je dreef een limonadestalletje. Je kocht siroop in en deed er water bij. Je besteedde een bepaald bedrag aan reclame; dat kon de verkoop bevorderen. Je stelde een verkoopprijs vast en je verkocht limonade. Soms verraste het computerprogramma je met de boodschap dat het een extra hete dag werd. Je wist dan dat je meer zou afzetten dan op een koele dag. Menig kind van tien jaar en nog jonger maakte op deze speelse manier kennis met bedrijfsvoering. Inkoop, voorraad, produktie, verkoop, verkoopprijs, kosten, opbrengsten en winst werden vertrouwde begrippen.

Nu gebeurde het wel eens dat de grondstofleverancier de prijs van limonadesiroop met twintig procent verhoogde. En wat deden de 'kids' dan? Die hoefden niet lang na te denken; ze berekenden die verhoging meteen door in hun verkoopprijs. Blijkbaar redeneerden ze zo: van nu af aan is limonadesiroop twintig procent duurder, dus moet ik het straks ook duurder inkopen. En daar hou ik nu al rekening mee. In het spelletje was geen belangengroep van consumenten voorzien die snedig opmerkte dat ze het verkeerd deden. Er was geen Konsumenten Kontakt dat vond dat ze de verkoopprijs pas mochten verhogen als ze hun oude - goedkoper ingekochte - voorraad hadden verkocht.

Tot zover de limonade. Nu de olie. De prijs van ruwe olie is gestegen en een paar dagen later voelen we dit aan de benzine/dieselpomp al in onze creditcard. Protesten van links en rechts. Is dit wel in de haak? We beschikken immers over honderden dagen ruwe-olievoorraad. Olie die nog tegen lagere prijzen is ingekocht. Volgens Konsumenten Kontakt en sommige politici maken de benzinemaatschappijen misbruik van de Golfcrisis. Herhaaldelijk wordt minister Andriessen (Economische Zaken) verzocht in te grijpen. En vanaf de eerste dag heeft de minister laten weten daar geen aanleiding toe te zien. Daarbij wijst hij erop dat hij alleen krachtens de Prijzenwet kan ingrijpen als er een algemeen inflatiegevaar dreigt. Die wet is niet bedoeld om de prijsverhoging van een enkel produkt aan banden te leggen.

Pierprijs

In dit verband een aardig zijsprongetje. Wie even mee terugreist in de tijd, herinnert zich misschien de beroemde Pierprijs-affaire. Het was in 1964. In het kader van de inflatiebestrijding was voor heel veel goederen en diensten een prijsstop afgekondigd. Prijsverhogingen moesten eerst door het ministerie van economische zaken worden goedgekeurd. De Exploitatie Maatschappij Scheveningen (EMS) van de machtige Reinder Zwolsman verhoogde, zonder zich van Economische Zaken iets aan te trekken, de entreeprijs van de Scheveningse Pier met honderd procent van vijftig cent tot een gulden. Dat bracht hem in botsing met de toen kersverse onverschrokken minister van EZ: Andriessen. Ja, dezelfde.

Te beroerd om in te grijpen als het moet is deze minister dan ook niet. En als het in het Midden-Oosten en met de benzineprijzen echt uit de hand loopt omdat de olie-aanvoer door oorlog stagneert, zou hij die prijzen nog altijd via de Prijzennoodwet kunnen aanpakken. Maar voorlopig grijpt hij niet in omdat het niet moet. Die 'lemonade-kids' voelden dat prima aan. Als de vervangingsprijs van de grondstof stijgt, doe je er goed aan dit meteen in de bedrijfsvoering te laten doorwerken. Wat betekent dat je ook direct de verkoopprijs verhoogt. Om te begrijpen waarom dit nodig is, gaan we eens na wat er gebeurt als je het niet zou doen.

De grondstofprijs gaat omhoog, maar jij hebt nog een flinke voorraad die tegen lagere prijzen is ingekocht. Jij verhoogt voorlopig de verkoopprijs niet. Je hanteert wat men de historische kostprijs noemt; de kostprijs uit het verleden. Pas als je aan de nieuwe, duurder ingekochte voorraden toe bent, ga je ook de verkoopprijs verhogen. Niets aan de hand, zou je zeggen. En je zou dit ook kunnen doen, als je alleen op de wereld was.

Onoplettend

Maar benzinemaatschappijen zijn niet alleen op de wereld. Ze kopen op verschillende momenten in en ze hebben verschillende voorraden met uiteenlopende historische kostprijzen. Zouden ze deze laatste als basis voor hun verkoopprijs hanteren dan zouden ze op een moment in de tijd verschillende verkoopprijzen hebben. Shell zou 1,75 gulden vragen voor een liter super en BP 1,65 gulden, omdat BP nog met een oude goedkope voorraad rekent. Het is duidelijk dat Shell in zo'n geval alleen nog maar benzine verkoopt aan buitengewoon onoplettende klanten.

In zo'n markt, waar weinig aanbieders optreden (een oligopolie) en waar die aanbieders elke beweging van de anderen nauwlettend in 't oog houden, liggen de verkoopprijzen dicht bij elkaar. Op een prijzenoorlog zitten ze absoluut niet te wachten; dat wordt een uitputtingsslag met ernstige financiele schade voor alle partijen. Door steeds weer de aan iedereen bekende dagwaarde van de grondstoffen als basis voor de prijs aan de pomp te kiezen, is een belangrijke mogelijke oorzaak van prijsverschillen uitgeschakeld.

Ten slotte blijft nog de mogelijkheid over dat de benzine-aanbieders een prijsstijging van de olie wat voortvarender aan de klant doorberekenen dan een prijsdaling. Ze zouden bij een prijsdaling kunnen samenspannen en die nog even kunnen achterhouden. Vorige week hebben ze een prijsdaling keurig meteen doorgegeven. En wie de bewegingen van de olieprijs en die van de benzineprijs (exclusief accijnzen en belasting) over een wat langere periode met elkaar vergelijkt, ziet al snel dat niet alleen stijgingen maar ook de dalingen netjes op tijd worden doorgegeven. Olie is net limonadesiroop.

    • Rolf Schöndorff