Innovatiecentra onvoldoende uit de verf; Ondernemers staanniet te springen om technologisch advies

Sinds enkele jaren kunnen kleinere ondernemingen met vragen en problemen op technologisch gebied terecht bij Innovatiecentra. Aan hun eigenlijk taak, het geven van technologisch advies, komen de centra nog nauwelijks toe. Bedrijven gebruiken de IC's meer als een klankbord, als een goedkope organisatieadviseur.'Turn-around manager' noemt drs. M. Meijer, de tijdelijke baas van deachttien regionale Innovatiecentra, zich. En het is duidelijk dat hij inderdaad veel van zijn tijd besteedt aan omturnen. In mei 1988 huurde het departement van economische zaken hem in om de Rijksnijverheidsdienst (RND) om te bouwen. Dit wat stoffige dienstje van honderd man, verdeeld over elf provinciale kantoren, moest een facelift ondergaan en een totaal nieuwe functie krijgen. Medio jaren tachtig had de Organisatie voor economische samenwerking en ontwikkeling (Oeso) geconcludeerd dat Nederland achterliep bij de invoering van nieuwe technologieen. Zoals gebruikelijk stelde de regering hierop een commissie in, onder leiding van de oud-Philips topman dr. Wisse Dekker. Die constateerde dat de Oeso gelijk had en stelde vast dat het probleem vooral in het midden- en kleinbedrijf zat. Dekker en de zijnen meenden dat de technologische achterstand van de kleinere en middelgrote bedrijven moest worden aangepakt door meer aandacht te besteden aan de verspreiding van technologische kennis.

EZ, niet van zins een nieuw loket toe te voegen aan het toch al ruime scala van adviesinstanties, besloot vervolgens om deze taak toe te delen aan de RND - tegen de zin van het georganiseerde bedrijfsleven overigens, dat weinig vertrouwen had in dit verouderde apparaat, dat zich tot dan toe vooral bezighield met financieel-economische advisering. Meijer, eerder president-directeur van de Centrumbank en ervaren in ombouw-processen, gaf de verjongingskuur van de RND een vliegende start. Binnen een half jaar wist hij het eerste Innovatiecentrum, zoals de RND-nieuwe-stijl zou gaan heten, van de grond te krijgen en wel in Oost-Brabant. Daarna volgden in elf maanden tijd nog eens zeventien centra, steeds ondergebracht in een regionale stichting met bestuursleden, afkomstig uit het regionale bedrijfsleven en andere maatschappelijke geledingen. 'We zijn redelijk bekend, de ondernemers hebben geen negatief beeld. En omdat we bijna kosteloos zijn, vinden ze het op zijn minst wel de moeite waard om eens met ons te praten', zo vat de interim-directeur het imago van de IC's, zoals die gebleken is uit peilingen in de doelgroep, samen.

Klankbord

Dat is niet slecht, maar het is nog lang niet goed genoeg, erkent hij. Bovendien blijkt uit een kleine steekproef dat het overgrote deel van de bedrijven die de IC's benaderden, helemaal niet met technologische vragen zat maar vooral uit was op een goedkoop organisatie-advies. G. de Haan, eigenaar-directeur van Excellent Watertechniek in het Gelderse Eerbeek, bij voorbeeld, deed een uiterst interessante uitvinding op koelinggebied waarvoor grote belangstelling bleek te bestaan in de procesindustrie - met name bij DSM. 'Ik verwacht dat ik zeer snel zal gaan groeien', zegt hij, 'en dat kan problemen opleveren. We zitten nu nog maar met vier man maar de komende jaren zal dat vele malen meer moeten worden.' Hij vroeg het Innovatiecentrum in Arnhem, waar hij via televisie-uitzendingen van gehoord had, om hulp. Na een paar orienterende gesprekken zal het IC binnenkort vermoedelijk met het advies komen een professioneel adviesbureau op het gebied van marketing en bedrijfsorganisatie in te schakelen, vermoedt De Haan. De Eerbeekse uitvinder is wel in zijn sas met deze ondersteuning. 'De man van het IC was min of meer een klankbord, en dat had ik net nodig.' Het voorbeeld is in grote lijnen typerend. Buizenfabrikant LDM uit Drunen wilde een nieuw computersysteem aanschaffen en had behoefte aan ondersteuning bij de keuze; het sierbetonbedrijf 'Benelux' te Nijnsel kampte met barstjes in de aanrechtbladen die het produceert - een eenvoudig produktietechnisch probleempje dat het grotendeels zelf kon oplossen. Instromet, producent van onder andere gasmeters, zocht een kwalitatief hoogwaardige toeleverancier, en vroeg het IC of hij er soms een wist; wasserij Aurora had een logistiek probleem met zoekrakende was.

Over de drempel

Slechts een enkeling komt met een vraag die met enige moeite als een innovatie-probleem kan worden beschouwd. Zo was het Brabantse ingenieursbureau Elta Claas (150 personeelsleden) al een tiental jaren bezig met computerondersteund tekenwerk, zonder dat dat tot veel nieuwe activiteiten leidde. 'We worstelden met de vraag: innoveren we wel op de goeie manier?', vertelt directeur J. Claas. Door bemiddeling van het IC in Eindhoven kwam hij vervolgens in contact met een commercieel adviesbureau dat een - door EZ gesubsidieerd - onderzoek uitvoerde en met suggesties kwam om de interne organisatie te veranderen en de computers niet alleen te gebruiken voor tekenwerkzaamheden, maar het werkterrein uit te breiden richting 'facilities management'. 'Heel erg tevreden', is Claas over deze uitkomsten. Hij vertelt dat hij uit zichzelf niet goed direct aan durfde kloppen bij een commerciele organisatie-adviseur. 'We voelen ons niet zo'n groot bedrijf', zegt hij ter verontschuldiging. De tussenstap via het IC trok hem over de drempel.

Claas staat niet alleen met zijn vrees voor de professionele adviseurs, de meeste IC-klanten blijken dat wereldje als ontoegankelijk en onoverzichtelijk te beschouwen. Bovendien zijn het dure jongens, die meteen uren schrijven en je misschien iets aansmeren waar ze zelf belang bij hebben, zo valt te beluisteren. De IC's daarentegen zijn de eerste twee adviesdagen gratis en dat is vaak net genoeg voor een uitgebreide orientatie en een doorverwijzing naar een echte specialist. 'Je kunt ons vergelijken met een plattelandsdokter', erkent ir. J. Schenk, directeur van het IC Alkmaar. 'Die gaat naar de mensen toe, en als ie zelf het juiste pilletje niet heeft, stuurt hij ze door.'

Pijntjes

De innovatiecentra hebben een eerstelijnsfunctie, zegt ook opperbaas Meijer. Ook hij heeft gemerkt dat de ondernemers de centra vooral gebruiken om over allerlei pijntjes en probleempjes te praten of om een klankbord te hebben wanneer ze voor een belangrijke beslissing staan. 'Maar wij hebben gezegd: we moeten beginnen met ook die praktische problemen aan te pakken. Als we toe willen komen aan meer technologische vragen, zullen we de ondernemers immers eerst moeten leren kennen. In de loop van de tijd kunnen we dan selectiever worden in het soort problemen dat we behandelen.' Het blijft daarnaast een feit, benadrukt Meijer, dat het overgrote deel van zijn doelgroep nu eenmaal niet als echt innovatief kan worden betiteld. 'De Oeso zei indertijd niet voor niks dat Nederland achterloopt.'

De IC's proberen zich nu geleidelijk te richten op de ongeveer 110.000 kleinere en middelgrote bedrijven die kansrijke activiteiten in huis hebben en vooral technologie-volgend zijn - dat wil zeggen: het moeten hebben van de invoering van elders ontwikkelde, moderne technologie. De achttien centra zijn bezig een uitgebreide analyse van die doelgroep te maken, met het doel te ontdekken waar de technologische achterstand nu eigenlijk zit. De bedoeling is om vervolgens met een gerichte aanpak groepen van bedrijven te benaderen waarvan men vermoedt dat ze met overeenkomstige problemen te maken hebben. Zo heeft men in Gelderland een aantal fabrikanten van kunststofprodukten uitgenodigd voor een bijeenkomst over goedkopere produktiemethoden. 'Dit soort bedrijven werkt met matrijzen', vertelt ir. J. Strating van het IC Midden- en Zuid Gelderland, 'en die zijn duur. Uiteraard hebben ze belangstelling voor goedkope matrijzen; ik weet zeker dat die bijeenkomst volgeboekt zal zijn.' Op den duur moet dit type technologie-gerichte ondersteuning de hoofdactiviteit van de Innovatiecentra gaan vormen. Maar voorlopig zullen de centra toch vooral huisartsen blijven, met een open oog en oor voor ieder wissewasje waar de ondernemers mee komen aanzetten. En zelfs dat is al niet gemakkelijk. Elf van de achttien innovatiecentra waren als gezegd vestigingen van de Rijksnijverheidsdienst. Ze waren gewend op ad-hoc basis te werken en hadden allemaal zo hun eigen klantenbestandjes opgebouwd. 'Er waren hier zelfs een paar mensen die als een soort huisconsultant voor een of enkele bedrijven werkten, en anderen die gewend waren als een soort god met een subsidiepet op rond te lopen', vertelt interimmanager Meijer openhartig. 'Maar dat kan toch echt niet meer.'

Om die cultuur te veranderen haalde hij de honderd extra personeelsleden die hij tot zijn beschikking kreeg (de IC's tellen nu tweehonderd mensen), zoveel mogelijk uit het bedrijfsleven, recruteerde hij ook het gros der IC-directeuren buiten de oude RND, en organiseerde hij een reeks in-company trainingen. Voor de centra voldoende aan hun eigenlijke taak toekomen zullen nog wel een paar jaar verstrijken, schat Meijer. 'Eerst moeten we erkenning krijgen, doordat de ondernemer merkt dat hij wat aan ons kan hebben. Dan moeten we de inventarisatie van onze doelgroep voltooien en een systeem van desk-research opzetten om snel toegang te krijgen tot alle mogelijke kennisbronnen. Al met al zal het nog wel ruim drie jaar duren voor we precies weten wat de vraag naar en het aanbod van technologische kennis nu precies zijn.' Het gevaar dat die periode te lang zal blijken, is echter levensgroot. Als gezegd: veel ondernemers beschouwen de Innovatiecentra nu als een goedkoop organisatie-adviesbureau. Als dat image beklijft, en geen plaats maakt voor werkelijke innovatie-stimulering, zal het IC-project op een mislukking uitdraaien. Meijer is zich daar ook wel van bewust: 'We zijn de veertig miljoen die EZ aan ons besteedt, pas waard als we erin slagen iets te doen aan het dichten van die technologie gap.' Dit is het laatste artikel in een serie over innovatieve ondernemingen.