Hoge boetes en meer cellen

PREMIER LUBBERS blijft het maar moeilijk hebben met de rechtshandhaving. Drie jaar geleden reed hij in zijn befaamde redevoering over de 'overbelaste democratie' een scheve schaats door het opnemen van minimumboetes in de strafwet te bepleiten: een regelrechte aanslag op de positie van de onafhankelijke rechter in ons bestel. Bij de opening van het academische jaar in Nijmegen kwam hij deze week nog eens op dit thema terug, en alweer niet erg geslaagd. Waarom zijn de boetes voor veel voorkomende criminaliteit in dit land toch zo laag, vroeg de premier zich hardop af, de indruk wekkend dat ze wat hem betreft fiks omhoog kunnen. Zeker in gevallen van 'criminaliteit die onmiddellijk te relateren is aan het wegvallen van sociale controle (bijvoorbeeld bekladding van muren en abri's)'.

Waarom hogere boetes wel zouden werken waar maatschappelijke verbanden het laten afweten, liet de premier gemakshalve in het midden. Het Openbaar Ministerie, dat (hoe toevallig) juist een forse verhoging van verkeersboetes in petto blijkt te hebben, wil ook wel toegeven dat allerminst vaststaat dat zoiets helpt. In het licht van deze plannenmakerij is het opmerkelijk dat Lubbers het in Nijmegen voorstelde alsof degenen die wensen vast te houden aan de lage boetes (wat is dat trouwens: laag?) het nodige hebben uit te leggen. Het is precies andersom. De bewijslast ligt bij degeen die sancties wil toepassen of verhogen. Dat volgt reeds uit het door Lubbers zelf zo aangeprezen beginsel van de subsidiariteit, want dat houdt immers mede in dat de overheid slechts bij uiterste noodzaak behoort in te grijpen. Nog afgezien van de eigen eisen van de rechtsstaat, die achtereenvolgende kabinetten-Lubbers in het vaandel hebben geschreven. NET ALS DRIE jaar geleden heeft de premier nu ook weer de positie van de rechter in geding gebracht. Iets van de kritiek heeft hij zich kennelijk aangetrokken want hij gaf zich in Nijmegen moeite te verzekeren dat 'de onafhankelijkheid van de rechtspraak met alles wat daaraan vast zit volstrekt dient te worden gerespecteerd'.

Van harte gaat het echter niet. Lubbers signaleert een dreigende botsing tussen 'de effectieve handhaving' van allerlei regelingen door de overheid en 'de stand van het rechtsstaat-denken', met name de opvattingen binnen de organen van rechtspleging. 'Een patstelling', noemt hij dat en knoopt daar de uitnodiging aan vast voor de organen van rechtspleging 'een bijdrage aan de maatschappelijke politiek' te leveren.

Juist aan het adres van de rechterlijke macht is dit een gevaarlijke uitnodiging, die er aan voorbij dreigt te gaan dat rechtshandhaving niet alleen een kwestie van effectiviteit is. Er zijn ook autonome normen van behoorlijkheid in het geding. Wanneer de rechter na ampele overweging een grens stelt aan bepaalde vormen van rechtshandhaving, hoe effectief op zichzelf ook, dan eist een juiste rolverdeling dat de uitvoerende macht een andere, wel aanvaardbare methode zoekt en niet dat de onafhankelijke rechter dan maar wat inschikt omdat dit beter uitkomt voor 'het gezag van de overheid', zoals Lubbers het noemt. Om in dit verband de term patstelling te gebruiken komt gevaarlijk in de buurt van willen suggereren dat de overheid boven de wet staat. DE GEVRAAGDE bijdrage van de rechter aan de maatschappelijke politiek kan de premier trouwens al vinden in zo ongeveer iedere aflevering van de jurisprudentie. Lubbers heeft dan ook kennelijk iets anders op het oog, een stellingname van de rechterlijke macht over de zwaarte van sancties in algemene termen. Dat laatste past in een trend die zich reeds meester heeft gemaakt van de Nederlandse vereniging voor rechtspraak. Deze sprak zich in 1985 uit voor rechterlijke beleidsvorming op bijvoorbeeld het terrein van de strafmaat.

Dit verdient de grootst mogelijke scepsis in een tijd waarin de rechter meer dan ooit betrokken dreigt te worden in politieke kwesties. De enige manier waarop hij daar uit kan komen is door zich strikt te houden aan de klassieke stelregel 'ieder het zijne geven'.

Dit sluit niet uit dat de rechterlijke macht uitspraken doet van algemene betekenis, maar dan toch altijd op grond van de merites van de concrete zaak en met alle waarborgen van de wettelijke openbare en gemotiveerde procesgang. De rechtszaal is zo langzamerhand de enige plek waar de burger nog kan rekenen op maatwerk, al wilde de vorige minister van justitie dat reeds vervangen door confectie. Daarop is de rechterlijke organisatie echter met opzet niet ingesteld; hij heeft geen voorziening voor algemene uitspraken van rechters. Bij alle kritiek op de scheiding van de machten in de staat nu ook weer van Lubbers geldt nog steeds de opmerking van een van onze grote rechtsgeleerden, Langemeijer, dat dit 'een orientatiepunt voor de rechtsschepping is waarvoor wij nog geen beter hebben ontdekt'.

LUBBERS HEEFT groot gelijk wanneer hij zijn politieke collega's opwekt tot vernieuwing van justitieel beleid. Maar de daden van zijn kabinet spreken andere taal. De premier maakte in Nijmegen een toespeling op de internationaal bewonderde traditie van ons land op het gebied van de reclassering. Maar die is in 1986 zo gelijkgeschakeld dat er sindsdien weinig meer van is vernomen. De premier verklaart ook met trots dat 'de begroting van het departement van justitie niet voor niets de komende jaren de snelst groeiende begroting is'.

Daarmee doelt hij op 'belangrijke hulpmiddelen als meer en beter uitgeruste politie, cellen, enzovoorts, enzovoorts'. En zoiets durft de premier te zeggen op de dag van het fax-protest van de sociale advocatuur tegen een justitieel beleid van uithongering.