DEB^ACLE PHILIPS ZET EUROPA VERDER OP ACHTERSTAND; Chipscruciaal in strijd om industriele wereldhegemonie

Philips gokte erop met de nieuwste generatie chips een reuzesprong te maken, en heeft verloren. Partner Siemens volgde een voorzichtige strategie en blijft versterkt over in het slagveld van de chipindustrie. Maar de Duitsers staan niet te juichen. Europa is opnieuw verzwakt in de strijd om de industriele wereldhegemonie.

De chipmarkt is een dolgedraaide gehaktmolen, waarin al menige respectabele firma met huid en haar is verdwenen. De chipmarkt is een permanente slachtpartij.

Dat komt doordat de chipindustrie alle economische regels met voeten pleegt te treden. Dat komt doordat de bedrijfstak haar eigen verwoestende wetmatigheden kent. Welke andere sector is gebaseerd op consequente concurrentievervalsing en exorbitante kapitaalverspilling? Sinds het begin van de jaren zeventig is de chipmarkt jaarlijks gemiddeld met twintig procent gegroeid. Maar dat gebeurde nooit vloeiend, altijd met horten en stoten. In 1976 en 1984 schoot de verkoop in een klap met zo'n vijftig procent omhoog. Maar in 1975 en 1985 kelderde de afzet met bijna twintig procent.

Die sterk cyclische marktontwikkeling, voortgedreven door het steeds wisselende tempo waarin elektronicafabrikanten de laatste chips in nieuwe produkten weten om te zetten, zorgt ervoor dat het in de chipindustrie altijd hollen of stilstaan is. Eens per vijf jaar reikt de branche naar de hemel; met dezelfde frequentie gaat de bedrijfstak ook door een diepe recessie heen. En zulke pieken en dalen zijn onmogelijk te plannen. Dat betekent dat de chipindustrie voortdurend pendelt tussen hevige tekorten en gigantische overcapaciteit. Tussen torenhoge winsten en niet te torsen verliezen.

De Japanse chipbedrijven hebben vijf jaar geleden dankbaar van die wetenschap gebruik gemaakt door met vereende krachten een aantal van hun belangrijkste concurrenten uit de markt te drukken. Iedereen in de bedrijfstak zag aankomen dat er weer een recessie dreigde, maar de Japanners lieten hun produktiecapaciteit onverminderd verder groeien. Toen de markt uiteindelijk in elkaar klapte, ontstond een bloedbad, zoals nooit eerder vertoond.

Amerikaanse chipfabrikanten leden in totaal een verlies van zo'n twee miljard dollar. IJlings trokken de meesten zich terug uit de meest bloedige van alle marktsegmenten: die voor dynamische geheugenchips. Alleen zo wisten ze voorlopig nog het vege lijf te redden. De verkoop van chips heeft traditioneel toch al veel weg van Russisch roulette, maar doorgaan met dynamische geheugenchips zou gelijk aan zelfmoord hebben staan. Want de risico's in de chipbranche zijn waanzinnig groot en ze worden alleen nog maar groter. Met de regelmaat van een kwartsklok zitten de generaties chips elkaar op de hielen: elke drie jaar weer een chip die vier keer zo krachtig als zijn voorganger is. En elke nieuwe generatie vergt bijna twee keer zoveel geld als de vorige.

Volgens de European Electronic Component Manufacturers Association kon je twaalf jaar geleden nog voor negentig miljoen gulden een 16K dynamisch geheugen ontwikkelen, een chip die 16.000 bits, 2.000 letters, wist te onthouden. Zes jaar geleden vergde de ontwikkeling van de 256 K-chip, zestien maal zo krachtig, al zo'n 450 miljoen gulden. De ontwikkeling van de nieuwste generatie, de 4 M-geheugenchip, heeft meer dan 1,6 miljard gulden gekost. En dat zijn alleen nog maar de researchkosten. Daar komen de investeringen in de produktie nog bovenop. Om een indruk te geven: de nieuwste chipfabriek van Siemens in Regensburg kostte zo'n 800 miljoen gulden. De volgende, waarvoor nog dit jaar het investeringsbesluit moet worden genomen, is ongeveer twee keer zo duur.

Wereldhegemonie

De chipindustrie hanteert als vuistregel dat je jaarlijks ongeveer veertig procent van je omzet moet investeren om de ontwikkeling van de markt te kunnen volgen. Voor elke gulden omzet die je over vijf jaar wilt halen, moet je nu een gulden investeren. Wetend dat maar een beperkt aantal firma's dat geld ooit zal terugzien.

Vooral bij de zogeheten standaardchips - voor diverse toepassingen in tal van sectoren - geldt dat alleen de fabrikanten die als eersten met een nieuwe generatie op de markt komen, goed geld kunnen verdienen. Kom je vier maanden later dan de kampioen, mag je je verliezen gaan tellen. En de bedragen die bij die continue 'rat-race' op het spel staan, worden steeds astronomischer.

Sommige deskundigen zeggen dat er in de chipindustrie sinds 1985 meer geld is verloren dan verdiend. Dat illustreert dat het er in deze bedrijfstak allang niet meer om gaat de aandeelhouders te gerieven. Het draait om hogere belangen; Japanse, Europese, Amerikaanse belangen: er woedt een strijd om de industriele wereldhegemonie.

In het rampjaar 1985, toen de Amerikaanse chipbedrijven een verlies van twee miljard dollar moesten incasseren, slikten de Japanse firma's zonder morren een twee maal zo grote strop. Zij trokken zich niet terug uit het slagveld van de dynamische geheugens. Integendeel, toen de kruitdampen eenmaal waren opgetrokken, zagen ze met grote voldoening dat in een klap negentig procent van die vitale markt in hun handen was. Daarmee kwamen ze weer een beslissende stap dichter bij het doel, dat ze al vijftien jaar lang met ijzeren consequentheid nagejaagd hadden: de supprematie over de hele chipindustrie. En daarmee van de elektronica. En daarmee van de wereldeconomie.

Natuurlijk verzetten de Verenigde Staten en Europa zich tegen die Japanse overweldigingspraktijken. In 1986 sloten de VS met Japan een chippact 'om de nationale industrie tegen dumping te beschermen'.

Onder meer werd afgesproken voortaan bodemprijzen voor dynamische geheugenchips te hanteren. Een soortgelijk akkoord sloot de Europese Commissie vorig jaar met Japan.

Maar al die goedbedoelde afspraken, die alleen maar bevestigen dat van een vrije markt op chipgebied geen sprake is, hebben de Japanse opmars niet kunnen stuiten. Het Japanse aandeel op de wereldmarkt groeide sinds 1985 van veertig tot 51 procent, het Amerikaanse belang kelderde van 48 tot 35 procent. Europa hield zich met een aandeel van tien procent nog redelijk overeind.

Maar hoelang kan de dwerg de reus nog trotseren? Samen hebben de drie grootste Europese chipfabrikanten - Philips (1,7 miljard dollar), SGS-Thomson (1,3 miljard dollar) en Siemens (1,2 miljard dollar) - minder omzet dan de twee grootste Japanners - NEC (5 miljard dollar) en Toshiba (4,9 miljard dollar) in hun eentje. Toch zijn de ontwikkelingskosten voor kleintjes en groten gelijk.

Dat was ook de reden dat Philips en Siemens zes jaar geleden besloten kosten en risico's te delen. In het kader van het zogeheten Mega-project zouden ze samen de technologie ontwikkelen om de nieuwste generatie chips te kunnen maken. Samen zouden ze de technologische achterstand op Japan in een keer te niet doen.

Ervaring

Dat Philips sindsdien voortdurend achterbleef bij de marktgroei, terwijl Siemens juist beter gedijde, had niets te maken met hun monsterverbond. Siemens slaagde er simpelweg beter in dan Philips om, vooruitlopend op de resultaten van het Mega-project, met succesvolle nieuwe produkten te komen. En Siemens volgde een minder riskante strategie.

Terwijl Philips erop mikte de technische achterstand op de concurrentie met een reuzesprong te overbruggen, koos Siemens voor de hink-stap taktiek. Het Duitse concern wachtte niet tot de resultaten van het Mega-project de onderneming eind 1989 eindelijk in staat zouden stellen de nieuwste generatie dynamische geheugenchips te produceren. Het concern besloot heel platvloers om de produktietechnologie voor de voorafgaande generatie eenvoudig bij het Japanse Toshiba te kopen. Zo zou het bedrijf alvast de nodige produktie-ervaring kunnen opdoen.

Siemens had de mazzel dat ze juist met deze chips op de markt kwam, toen er een nijpend tekort ontstond. Daardoor kon de onderneming goede prijzen vragen. Daardoor ook kon ze vorig jaar de omzet met bijna eenderde verhogen, terwijl de wereldmarkt maar met tien procent toenam tot ruim 57 miljard dollar.

Inmiddels zijn de vette jaren ook voor Siemens voorbij. De chipmarkt maakt weer een van zijn recessies door. Het tekort aan dynamische geheugenchips is weer eens omgeslagen in een forse overcapaciteit.

Het gevolg is, zegt K. Weigl, directeur van de Siemens' chipgroep, dat de markt voor dynamische geheugenchips dit jaar in aantallen met veertig procent zal groeien, maar in waarde zo'n twintig procent zal dalen. De prijzen lopen dus terug met zestig procent. Weigl wil het niet verhelen: Siemens legt geld toe op elke van de 48 miljoen geheugenchips, die dit jaar uit de fabriek in Regensburg rolt.

Maar alles beter dan een peperdure fabriek die voor het overgrote deel onbenut blijft. Dat zou Siemens zijn overkomen als het concern alleen had gegokt op de resultaten van het Mega-project. Want voor de chipgeneratie die daaruit is voortgesproten, bestaat nog nauwelijks een markt. Nu kan Siemens met de oudere generatie in elk geval nog een deel van de vaste kosten terugverdienen. Zo blijven de verliezen beperkt.

Philips heeft dat geluk bij een ongeluk niet. Philips heeft wat massaproduktie betreft uitsluitend gemikt op de nieuwste generatie statische geheugens. Maar daar is nog nauwelijks afzet voor. Daarom ziet het concern zich nu genoodzaakt te stoppen met die componenten, eigenlijk nog voordat ze ermee begonnen is. De onderneming neemt liever direct het verlies dan die molensteen nog jaren mee te slepen.

Ondermijning

Philips is verzwakt tevoorschijn gekomen uit een samenwerking die Siemens juist heeft gesterkt. J. Knorr, leider van de Siemens' chipgroep, kan met zo'n Pyrrhus-zege niet gelukkig zijn. Een verzwakking van Philips betekent een verdere ondermijning van de Europese chipbranche.

En dat, zegt Knorr, terwijl geen van de Europese chipbedrijven in staat is om zich zelfstandig een plaats te verwerven bij de top-acht in de chipindustrie. In de komende jaren zal zich in die bedrijfstak een tweedeling voltrekken: er zal zich een selecte groep giganten vormen die over de hele wereld actief is in alle belangrijke marktsegmenten. Daarnaast blijft er altijd plaats voor kleine specialisten. Maar de huidige tussengroep van de middelgroten zal volledig verdwijnen. Opgaan in de meute. Of zich scharen bij de grote acht.

Om straks te behoren tot de hoofdrolspelers in de bedrijfstak zal Siemens aan twee elementaire voorwaarden moeten voldoen, zegt Knorr. Het bedrijf zal een marktaandeel moeten hebben van ten minste vijf procent. Het concern zal een substantiele omzet moeten halen buiten Europa. Alleen door samenwerking zijn beide doelen te realiseren, zegt Knorr.

Daarom hecht Knorr zo'n grote waarde aan het Europese technologieprogramma JESSI (Joint European Submicron Initiative), dat monsterverbond van chipfabrikanten en gebruikers ter stimulering van de micro-elektronica. Daarom praat Siemens met de Frans-Italiaanse combinatie SGS-Thomson over vergaande vormen van cooperatie. Daarom ontwikkelt de Duitse reus samen met de moloch IBM een nieuwe generatie geheugenchips, die midden jaren negentig op de markt moet komen. Op basis van het de aangegane onderzoekverplichtingen kunnen we tot ver na het jaar 2000 vooruit, zegt Knorr.

Het is volgens hem wel de bedoeling dat Siemens ruim voor die tijd weer eens winst maakt op de verkoop van chips. Sinds 1984 is dat niet meer gelukt. Dat kon ook niet, zegt Knorr, want het concern moest de afgelopen jaren eerst miljarden D-mark investeren ter versterking van de concurrentiekracht.

Maar al staat Siemens bekend om zijn 'deep pockets', Knorr weet ook wel dat de kas niet onuitputtelijk is. Hij gaat er daarom vanuit dat het operationele verlies binnen een paar jaar moet zijn weggewerkt. En in tussentijd mag de chipdivisie best geld kosten, vindt Knorr. Tenslotte vormen chips tegenwoordig het hart en de longen van alle elektronica. Een zelfstandige Europese chipbranche is dus van levensbelang voor de hele Europese industrie. 'Je moet er toch niet aan denken dat we straks afhankelijk van de Japanners zijn', zegt Knorr.

    • Dick Wittenberg