Andriessen wijst verwijten over subsidie aan Philips af; 'Chip-project normaal risico'

DEN HAAG, 5 sept. Minister Andriessen van economische zaken vindt dat de overheid als subsidiegever geen blaam treft bij de mislukte poging van Philips om statische geheugenchips te produceren. Hij vindt het tot de normale risico's van de overheid behoren dat een dergelijk project met 190 miljoen gulden subsidie niet slaagt.

In een vraaggesprek kondigde Andriessen vanmorgen een uitgebreide rapportage over de besteding van dit geld aan. 'Maar de conclusie staat al vast. Het risico dat de overheid bij een dergelijk project loopt, kun je nooit wegnemen', zegt hij.

De minister overweegt minder geld dan de aanvankelijk geplande ruim 150 miljoen gulden uit te trekken voor JESSI (Joint European Submicron Silicon), het Europese technologieprogramma voor de stimulering van de micro-elektronica, nu Philips zich daaruit grotendeels heeft teruggetrokken. 'Maar een beslissing hierover kan nog enkele maanden vergen', zegt Andriessen. De minister ergert zich buitengewoon aan vergelijkingen tussen de deelneming van de overheid aan het voor Philips mislukte Mega-project en de RSV-affaire. 'Er wordt gepraat van: die grote sufferds in Den Haag begrijpen er niets van.'

Volgens Andriessen was het Mega-project voor de technologische en industriele ontwikkeling van Nederland van het grootste belang en is de mislukking slechts een kwestie van 'pech'. De RSV-affaire was daarentegen een poging werkgelegenheid te redden waarvan iedereen kon zien dat het op een fiasco zou uitlopen, meent hij.

Andriessen vindt het niet noodzakelijk om nu exact uit te zoeken wie welke verantwoordelijkheid heeft. 'Dat vind ik oninteressant. Het belastinggeld voor zo'n project wordt riskant besteed. Als ik een half jaar gelden geweten had dat Philips ermee wilde stoppen, had ik daarmee geen geld teruggekregen.'

In de vandaag naar de Tweede Kamer gestuurde nota 'Economie met open grenzen' kondigt de minister aan ruim 150 miljoen gulden extra te willen besteden aan het Jessi-project. Jessi is het vervolg op de ontwikkeling van statische geheugenchips, het Mega-project, en wordt beschouwd als het fundament van het Europese industriebeleid. Maar verrast door de maatregelen van Philips zegt Andriessen nu enkele maanden nodig te hebben eer hij kan beslissen hoeveel geld hij nu nog extra voor Jessi over heeft.

Een commissie van externe deskundigen die het Mega-project begeleidde en aan Economische Zaken rapport uitbracht, heeft in de ogen van de minister niet gefaald. 'Deze deskundigen weten niet veel van commercie.' De commissie heeft in april van dit jaar de minister laten weten dat het project een technisch succes was, 'maar in een regel wees men erop dat commerciele afzetmogelijkheden van de chips onvoldoende waren.'

De minister zegt dat hij regelmatig dergelijke zinnen onder ogen krijgt en het daarom niet zinvol vindt direct de noodklok te luiden.

De minister vindt dat de controle bij het project niet heeft gehaald. Volgens hem is het commerciele succes van de statische geheugenchips slechts een kwestie van tijd. 'Het is jammer dat Philips het financieel uithoudingsvermogen daarvoor niet heeft.'

Hij vindt niet dat de overheid in een eerder stadium had kunnen voorzien dat Philips er financieel zo slecht voorstond.

Andriessen trekt ook geen consequenties voor andere grote projecten die de overheid steunt, zoals bijvoorbeeld HDTV de nieuwe generatie televisie.

Volgens Andriessen zou een bedrijf, dat er financieel beter voorstond dan Philips, het Mega-project hebben voorgezet. Volgens minister zou in een andere land met andere industriele traditie, zoals bijvoorbeeld Frankrijk, Philips door de overheid financieel zijn geholpen. Maar in een klein land als Nederland ontbreekt daarvoor zowel de wil als het geld, zegt hij. 'Philips baart mij veel zorgen.'

Andriessen vreest dat Philips door het afstoten van de ontwikkeling en produktie van statische geheugenchips meer een assemblage bedrijf wordt. Philips is tot nu toe niet alleen van groot belang voor de Nederlandse werkgelegenheid, maar vooral ook door de industriele en technologische uitstraling.