Weekblad De Tijd komt deze week voor het laatst uit; 'Inschoonheid sterven, het is ons niet gegund'

AMSTERDAM, 4 sept. 'Als dagblad opgericht in 1845', staat er in het colofon in kleine lettertjes. Daarboven het Dieu et mon droit dat de Bossche priester en oprichter van de krant Jodocus Smits als motto koos. Genuanceerd en katholiek leidde De Tijd haar eerste leven, totdat een dalend aantal abonnees het einde van de krant inluidde. In 1970 telde het dagblad iets minder dan 100.000 abonnees. In de jaren daarop werden dat er steeds minder en ondanks een bijgestelde formule en het schrappen van de stadsedities, viel in 1974 het doek.

De Tijd begint een tweede leven, als weekblad. Een kort en roerig bestaan dat ondanks alle veranderingen in formule en uiterlijk wordt gewaardeerd door een stabiele aanhang van circa 35.000 lezers. Deze week sluit De Tijd ook deze periode af. Of de fusie met de Haagse Post het begin van een volgend leven betekent of dat het samengaan moet worden gezien als het roemloze einde van beide weekbladen, is niet duidelijk. 'In schoonheid sterven, het is ons niet gegund', meent Corine Spoor, hoofdredacteur ad interim. Met vier collega's en een paar stagaires maakte Spoor de laatste nummers van De Tijd in het troosteloze sousterrain waarheen de redactie voor de laatste zes weken werd verbannen. 'De inbreng van De Tijd in het nieuwe blad is aanzienlijk. De formule is meer toegesneden op De Tijd. De journalistieke degelijkheid van De Tijd moet bewaard blijven, maar de tuttigheid moet eraf. Daar moet de HP-inbreng voor zorgen.'

Gerard Driehuis, adjunct-hoofdredacteur van HP/De Tijd het blad dat uit de fusie moet ontstaan vindt dat de redactie van HP meer reden heeft zich zorgen te maken over de toekomst. 'Er is alleen al op commerciele gronden aanleiding genoeg om de inbreng van De Tijd te koesteren. Dat zijn we ons zeer bewust. ' Het schisma is compleet. Wat al het geharrewar over de katholieke identiteit van krant en tijdschrift de afgelopen dertig jaar niet teweeg bracht, werd een feit toen de directie de fusie met HP doorzette: een kloof die dwars door de redactie loopt. Een helft bemant het sterfhuis, na een wat overbodig aandoende verhuizing, en neemt met blad en al afscheid van de lezers. De koppen in het voorlaatste nummer spreken een duidelijke taal. 'Arie Kuiper waarschuwt voor de laatste maal', staat in dikke kapitalen boven de buitenlandrubriek van de oud-hoofdredacteur, een terugblik die afsluit met 'Ik groet u allen zeer.' De begrafenisstemming waarin de achterblijvers werken, is voelbaar aanwezig in de kunstrubriek. 'Op zoek naar de verloren tijd' en 'The end' kopten de achterblijvers. Een al te zure indruk werd vermeden door slotzinnen als 'De Tijd zal het leren' en 'Wie het ongewisse schuwt, stompt af.'

Maar meer dan een mislukte poging om de lezers te vertellen wat er gebeuren gaat, kan daarin niet worden gezien. De dubbele advertentie voor het nieuwe blad die sinds enkele weken achterin staat, bevestigt de droefenis die uit de laatste nummers drupt. Geen redactionele bijdrage, maar een door een reclamebureau geschreven tekst waarin iedereen die een verhaal voor deze nummers heeft geschreven tot spraakmakend wordt verheven, terwijl Arie Kuiper en Corine Spoor, oude bekenden voor de lezers van De Tijd, ontbreken. En wat moet de abonnee met Annet Muijen, Ronald Hoeben of Hans Goedkoop van HP van wie 'de mening' groot en geel wordt aangeprezen? Aan weerszijde van de kloof blijft een antwoord uit. Kuiper, Spoor, Jet Kunkeler en Peter Moree hebben er weinig boodschap aan. Ze eten Antillaanse cake en drinken koffie; nog een dag en het is voorbij. Dan verlaten de laatsten der mohikanen het sterfhuis en keren nooit weerom. Driehuis merkt op dat hij al lang tevreden is dat niet besloten werd de laatste nummers van beide weekbladen over en weer bij de lezers te bezorgen. Beide redacties herdenken deze week wat is geweest. De Tijd vroeg alle redacteuren en medewerkers hun beste artikel uit te kiezen, HP vroeg iedereen die ooit een of meer kolommen vulde op eigen wijze het afscheid luister bij te zetten. Het begrafenisnummer van HP bevat artikelen die naar wordt aangenomen voor veel lezers van De Tijd slechts zullen bevestigen dat HP niet meer is dan 'een zelfstrijkend overhemd', zoals A. L. Boom, alias Kees Fens, het na zijn vertrek als Tijd-columnist zo treffend verwoordde. Dat vinden de achterblijvers ook en ze citeren Fens nog eens, met genoegen. 'Het imago van HP wordt grotendeels bepaald door stukken die geen ander doel hadden dan binnen de grachtengordel the talk of the town te zijn', zegt Driehuis. 'Maar daar stonden de goede verhalen tussen, de prachtige interviews en de mooie reportages.'

Desgevraagd probeert Driehuis de formule van het nieuwe blad wat meer gezicht te geven. Achtergrond, verdieping, kunst en cultuur gekoppeld aan journalistieke aanleidingen, behoorlijk wat aandacht voor bedrijfsleven en sociale zaken, een wekelijks essay, het bestuur van Nederland. De formule blinkt vooralsnog niet uit in duidelijkheid, maar vier weken is dan ook te kort om een nieuw blad inhoud te geven. 'We hebben beide bladen naast elkaar gelegd en keuzes moeten maken. De HP is voor de helft gevuld met cultuur of wat daarvoor doorgaat, De Tijd veel minder. Een omslagartikel over De Nieuwe Hond zoals HP dat enige tijd geleden bracht, zal in HP/DeTijd niet verschijnen.'

Het verhaal stokt bij de opmerking dat het nieuwe blad meer pagina's telt en een grotere redactie met een royaler budget krijgt. 'Bij beide bladen lagen allerlei plannen voor langer lopende projecten die door gebrek aan geld en mankracht niet konden worden uitgevoerd. Een langere reportage, iets grondig uitzoeken, die zaken kunnen nu wel.' Driehuis moet gaan, hij heeft het druk en het werk is ingewikkeld, ook omdat hij al wekenlang geen eigen bureau meer heeft. Over een paar dagen wordt het nieuwe redactiepand betrokken, want om nu te gaan samenwonen in het pandje van HP, daar zag redactie van De Tijd weinig in. In de burelen van de oude Tijd wordt nog eens koffie ingeschonken. 'De markt voor opiniebladen is in zes jaar gehalveerd. Wij hebben het zo gezien heel goed gedaan, onze oplaag was stabiel', zegt Kuiper afwezig. 'De adverteerders bleven weg', zegt Kunkeler, waarna een aantal kritische opmerkingen volgt over de wijze waarop uitgever VNU de advertentiewerving organiseerde. 'Een opinieblad tussen een stapel vrouwenbladen, zo werkt het niet.'

Ze praten over de verzuiling als last voor de opiniepers, over de katholieke identiteit als ongelukkige erfenis, over de concurrentie van de kranten met hun vele bijlagen. Ze praten over het verleden en over de schone dood die De Tijd niet sterven mocht. 'Die golf van publiciteit over het einde van De Tijd is hinderlijk', meent Driehuis en merkt op dat 'de oplage van De Tijd, gecombineerd met de advertentiebezetting van de HP een zeer winstgevende onderneming opleveren.' Toch een nieuw leven voor De Tijd? 'Nee', zegt Spoor. 'Een plus een is twee, zo werkt het niet.'

'Ik gun het ze van harte', zegt Kuiper. 'Tussen Vrij Nederland en Elsevier is zeker ruimte voor een derde weekblad.'

'De tijd zal het leren, ' zegt Driehuis en, verwijzend naar de regel onder het logo waarin de titels van beide oude bladen zijn samengevoegd: 'Het Weekblad, wie weet dat we daar op den duur iets mee gaan doen.'

    • Wilma Cornelisse