Spion in het lab

Tot mijn verbazing moest Iwan Matweitsj nog aan Tarantjew worden voorgesteld. Natuurlijk kenden deze twee atoomfysici elkaars werk wel, maar omdat Iwan van de Academie was en Tarantjew van de Universiteit hadden zij elkaar nooit eerder ontmoet, zo werd mij uitgelegd. Buiten het station stond een auto met chauffeur klaar en spoedig arriveerden wij achter het Kremlin in een groezelig koffiehuis. Een van de weinige die om half acht 'sochtends al open waren, maar koffie zou pas om negen uur te krijgen zijn. Over vieze bekers koude thee en hompen droog brood werden de plannen voor de dag besproken. In de ochtend zou Tarantjew zijn laboratorium laten zien, na de lunch was mijn colloquium, daarna weer lab-bezoek en 'savonds zou er een feestje zijn bij Tarantjew thuis. Iwan zei dat hij naar de Academie moest en mij vanavond wel weer in het hotel zou zien. Iwan Matweitsj, zei ik, kom dan naar Tarantjews huis, dan kan ik je aan de hele Moskouse groep voorstellen. Iwan pruttelde tegen maar ik drong aan, niet vermoedend in welke ernstige problemen ik mijn gastheren bracht.

De dag verliep zoals was afgesproken en na het eten ging de bel. Iwan kwam binnen maar nog voor ik hem aan de collega's kon voorstellen riep Tarantjew boven iedereen uit: here is the spy, the spy from Leningrad. Iwan Matweitsj zei geen woord. Verbouwereerd probeerde ik aan Tarantjew uit te leggen dat ik Iwan al jaren kende, dat hij ook in Amsterdam op ons lab had gewerkt, dat hij in Leningrad vorige week een voortreffelijke gastheer was geweest en mij nu vergezelde op reis langs verschillende laboratoria in de Sovjet-Unie. En toch is hij een spion, schreeuwde Tarantjew weer boven iedereen uit. Het leek mij maar het beste om meteen het feestje te verlaten. Toen ik mij omdraaide stond Iwan met een grote fles wodka aan zijn mond en goot die in een keer naar binnen. Even later was hij niet meer in staat om op zijn eigen benen te staan. Tarantjew legde hem in de slaapkamer en zei dat de spion over een paar uur wel weer fit zou zijn om mee te gaan naar het hotel. Ik moest dus blijven maar begreep niet wat mij overkwam. Aan het eind van het feestje werd Iwan onder de douche gezet, weer in het pak gehesen en half versuft meegenomen naar het hotel. In de auto legde Tarantjew eindelijk uit hoe het zat.

Iedereen die een buitenlander op bezoek had was verplicht na afloop een rapport te schrijven en voor de Russische bureaucratie betekende iedereen ook letterlijk iedereen. Iedereen die mij ontmoet had moest daarover rapporteren. Al die rapporten kwamen boven ergens op een bureau terecht en konden dus maar beter gelijkluidend zijn, anders kwamen er misschien problemen. Tarantjew had daarom een rapport geschreven over deze dag en al zijn groepsleden schreven dat van hem over. Van Iwan Matweitsj kon hij dat niet verlangen en dus zou deze zelf een rapport schrijven en daarmee werd hij de spion. Iwan had het probleem kennelijk doorzien en was dronken geworden. Voor de Russische bureaucratie was hij daardoor ontslagen van de plicht een eigen rapport te schrijven en dus had Tarantjew een exemplaar van zijn rapport in Iwans binnenzak kunnen steken.

Dit traumatische voorval gebeurde tijdens een van mijn eerste bezoeken aan de Sovjet-Unie zo'n vijftien jaar geleden. Deze zomer was ik weer op een conferentie in Leningrad en een van de meest gestelde vragen is of je kan merken dat het daar veranderd is, of je de glasnost en perestrojka kunt zien. Inderdaad denk ik dat het zo is, maar niet in de Russische laboratoria. Gedurende onze vierdaagse conferentie hebben wij twee avonden een concert meegemaakt van religieuze Russische muziek en degenen onder ons die al op zondag in Leningrad waren aangekomen, hebben in de grote Isaackathedraal ook nog de eerste kerkdienst sinds 62 jaar meegemaakt. Een kerkdienst die de rest van de week iedere avond op tv 'in de herhaling' te zien was omdat Boris Jeltsin en de burgemeester van Leningrad op de voorste rij in de kerkbanken zaten. Op dinsdagavond werden in de Smolnykathedraal de Vespers van Rachmaninov ten gehore gebracht. Sinds Lenin zijn hoofdkwartier bij de Smolny vestigde zijn de meeste inwoners van Leningrad de gouden koepel niet dichter genaderd dan Oblomow en Olga Sergejewna in hun roeibootje op de Neva. Tijdens de vespers zat de kerk bomvol. Op donderdagavond werden er in de conferentiezaal religieuze liederen voor ons gezongen door een koor van het Fysisch-Technisch Instituut. De dirigent vertelde dat zij vorig jaar door de familie Romanov waren uitgenodigd om te komen zingen. De KGB had toen verboden om van de religieuze liederen de woorden te zingen. Alleen de melodie mocht worden geneuried, maar nu kon er eindelijk gezongen worden, uit volle borst. Glasnost en perestrojka zijn ontroerend zichtbaar in de kerken van Leningrad, maar niet in de laboratoria. In de Sovjet-Unie leven de wetenschappers nog steeds een zeer geisoleerd bestaan. Stalin heeft van elke buurman een verklikker gemaakt. Onder Brezjnev was elke onbekende Rus voor de ander een potentiele spion. Dit heeft gezorgd voor onvoorstelbare verzuiling en muffe hokjesgeest. De koude oorlog heeft de Russische wetenschappers van het westen geisoleerd, maar wat veel erger is: de communistische partij, het systeem, heeft de Russische wetenschappers van elkaar vervreemd. Daarin is nog steeds geen verandering gekomen, hetgeen duidelijk werd tijdens de recente conferentie in Leningrad.

Onder auspicien van de Europese natuurkundige vereniging was een bijeenkomst georganiseerd over de fysica en technologie van halfgeleiders, het materiaal waar de chip van gemaakt wordt. Uit alle grote laboratoria van de Westeuropese universiteiten, de overheid en de industrie (behalve Philips) waren vertegenwoordigers naar Leningrad gekomen om hun Russische collega's voor het eerst te ontmoeten. Tot onze teleurstelling bestond de Russische vertegenwoordiging echter uitsluitend uit natuurkundigen van de Russische Academie voor Wetenschappen. Onze gastheer in Leningrad was afkomstig van de Academie en 'dus' had hij slechts mensen van de Academie uitgenodigd. Deze waren niet alleen afkomstig uit de researchlaboratoria maar ook uit de ontwikkelafdelingen en uit de fabrieken. Want de Academie heeft eigen fabrieken voor wetenschappelijke instrumenten. Alles wordt zelf ontwikkeld en gemaakt, van de bouten en de moeren tot en met de chips. In de ontwerpafdeling staan 300 man achter tekentafels en in de instrumentmakerij werken maar liefst 3000 mensen, allemaal alleen voor de Academie. Chips zijn natuurlijk ook nodig in computers voor het onderwijs, in ziekenhuisinstrumentarium, in radio's, tv's, telefoons en militaire apparatuur. Rusland heeft aparte ministeries voor wetenschap, voor onderwijs, voor gezondheidszorg, voor radio en tv, voor telecommunicatie, voor defensie. Die hebben allemaal aparte ontwikkelafdelingen en fabrieken voor chips. Iedereen werkt volkomen onafhankelijk, men weet van elkaars bestaan nauwelijks af. Men kent de specialisten in het eigen vakgebied, maar hen die werken in de andere sector helemaal niet. En dus waren de specialisten buiten de Academie niet uitgenodigd op onze conferentie.

Het isolement heeft gemaakt dat men alle problemen zelf heeft moeten oplossen en ze ook zelf heeft opgelost. De Russische fysici en technici zijn volledig op de hoogte en kunnen alles zelf. Er zijn in Rusland zeer bekwame vaklieden. In de laboratoria van de Academie kom je soms hele vernuftige apparatuur tegen. In de energie-onderzoekcentra is de plasmafysica zeer ver ontwikkeld. Het ruimtevaartprogramma van de Sovjet-Unie toont aan dat ook de militaire laboratoria tot uitzonderlijke prestaties in staat zijn. Toch zie je overal zeer gefrustreerde collega's. De Russen beseffen dat ze ondanks hun kennis en kunde door hun isolement enorm achterop zijn geraakt en nog steeds verder achter raken. Dit ligt niet in de eerste plaats aan de koude oorlog en de economische boycot door het westen. Als het handelsembargo wordt opgeheven zal Rusland niet meteen een grote sprong voorwaarts maken in hoogwaardige technologie. De Russen hebben door het communistische systeem grondig afgeleerd om samen te werken. De bureaucratie maakte van elke collega een potentiele spion.