Onder de grond in Nederland

In 1952 installeerde de minister van Economische Zaken een commissie die van advies moest dienen over de wenselijkheid het kolenveld in de Peelhorst, in het oosten van Noord-Brabant en het aansluitende deel van Limburg tot ontginning te brengen. Onderzoek had uitgewezen dat daar 2500 miljoen ton te winnen was. Ter vergelijking: de jaarlijkse produktie van de Limburgse mijnen in de vijftiger jaren bedroeg ca. 12 miljoen ton. Na geofysisch onderzoek en nieuwe boringen oordeelde de commissie het mogelijk twee mijnen te stichten, met een levensduur van een eeuw. Niettemin ontried de commissie in haar eindrapport van 1962 het Peelveld tot ontwikkeling te brengen. In tien jaar was het beeld van onze energievoorziening grondig gewijzigd. Het aandeel van steenkool (Limburgse produktie plus import) in onze energiebehoefte, was gedaald van 75% naar 50%. Aan de afnemende vraag naar kolen konden de bestaande mijnen voorlopig voldoen. De aanleg van een nieuwe staatsmijn bij Vlodrop, in het zuidoostelijke puntje van de Peelhorst op Nederlands grondgebied, in 1952 begonnen, was na de bouw van een schacht intussen reeds stilgelegd. Aardolie en aardgas werden steeds belangrijker. In het begin van de zestiger jaren werd het bovendien duidelijk dat het Groningse gasveld, in 1959 ontdekt, niet een groot, doch een reusachtig gasveld was. ' Daar komt bij', schreef de commissie, ' dat op een tijdstip tussen 1975 en 2000 elektriciteit uit kernenergie waarschijnlijk zal kunnen concurreren met opwekking van stroom in conventionele centrales'.

Belangrijk exporteur

Ons land is in enkele decennia van een kolenproducent die voor een groot deel in eigen behoefte voorzag, geworden tot een olie- en gasproducent, en wat gas betreft zelfs tot een belangrijke exporteur.

ISBN 9012052386. Prijs fl.29,90.

Slechts weinig Nederlanders hebben een helder beeld van de geologische omstandigheden die ons deze bodemschatten in de schoot hebben geworpen, of van de wijze waarop zij worden opgespoord en gewonnen. Van de zwarte wereld van een kolenmijn kunnen velen zich nog wel een voorstelling vormen, maar weinigen hebben enig besef van hetgeen zich onder een ja-knikker afspeelt, om maar te zwijgen over de misvattingen omtrent de Groningse gasbel. Een goed inzicht van de reserves in de diepte ontbreekt al evenzeer.

Het is daarom een goede gedachte van de Geologische Dienst geweest om een nieuw deeltje in de reeks 'Geologie van Nederland' te wijden aan onze bodemschatten. Buiten de al genoemde delfstoffen die uit de diepte worden gewonnen en daar moeten dan nog verschillende zouten zoals keukenzout en anhydriet aan worden toegevoegd winnen wij ook delfstoffen aan de oppervlakte, in open groeven: kalksteen, grind, zand en klei. De oudste en onmisbare delfstof neemt enigszins een tussenpositie in: water. Wel wordt water grotendeels uit de ondergrond gewonnen, maar tegenwoordig wordt de voorraad weer gedeeltelijk uit oppervlaktewater aangevuld. Al deze delfstoffen hebben een eigenschap gemeen: ze zijn gebonden aan een sedimentair bekken, dat wil zeggen een dalingsgebied in de aardkorst waar gedurende vele honderden miljoenen jaren afzettingen laagje voor laagje zijn opgehoopt. Dat verklaart ook meteen het ontbreken van een belangrijke groep van delfstoffen als ertsen.

In 80 bladzijden geeft het boekje een schat aan informatie. Daarbij is een vast patroon gevolgd: eerst een stukje geologie dat de aanwezigheid van bepaalde delfstoffen verklaart, dan over de opsporing en de winning, met gegevens over de aanwezigheid en over reserves. Alles wordt door kaartjes, profielen en andere toepasselijke afbeeldingen duidelijk toegelicht. Bovendien zijn er nog twee losse kaarten toegevoegd, een voor de delfstoffen uit de diepte en een voor de opervlaktedelfstoffen.

De tekst is toegespitst op de delfstoffen die nu van economisch belang zijn. Veen, bruinkool en steenkool komen slechts summier aan de orde, al is het goed dat enkele historische aspecten aan de vergetelheid worden ontrukt. Aardolie, aardgas en zouten krijgen de volle aandacht. Verheugend is het dat ook de mogelijkheid van winning van aardwarmte duidelijk uit de doeken wordt gedaan. Het gaat hier om een nieuwe vorm van energiewinning uit de diepte, die misschien in ons land nooit van grote betekenis zal worden, maar aandacht verdient in het besef dat wij van olie en gas ook geen onuitputtelijke reserves bezitten.

Op het eerste gezicht lijken de vooruitzichten voor de winning van oppervlaktedelfstoffen gunstiger. Velen zullen geneigd zijn te denken dat een land als Nederland aan water, zand of klei toch geen gebrek kan lijden. De werkelijkheid is anders. Voor de voorziening van goed drinkwater zijn wij in toenemende mate aangewezen op oppervlaktewater, waarvan de kwaliteit door vervuiling achteruitgaat. De winning op grote schaal van grind langs de Maas in Limburg, heeft in enkele tientallen jaren zulke gaten in het landschap geslagen, dat de weerstand tegen verdere ontginning steeds sterker wordt. Hetzelfde geldt voor de winning van kalksteen. Het lot van de Sint-Pietersberg is bekend, de beroering over een mogelijke ontginning van het plateau van Margraten ligt ieder nog vers in het geheugen. Ook het westen van ons land is aan de honger naar oppervlaktedelfstoffen niet ontkomen. Naast polders die in vroeger eeuwen met vernuft en vlijt zijn drooggelegd, liggen nu weer nieuwe grote plassen, zoals het Vlietland, de Noord Aa, de Klinkenberger Plas en het Oosterduinmeer. Al deze nieuwe plassen zijn veel te diep om te worden drooggelegd. Binnenkort hebben wij meer recreatieplassen dan alle arbeidstijdverkorting kan vullen. De Noordzee biedt voor de winnig van zand en grind slechts gedeeltelijk soelaas. Bruikbaar grind is in het Nederlandse deel mondjesmaat te vinden.

Het laatste deel van het boekje verschaft de lezer een beknopt en duidelijk beeld van het overheidsbeleid met betrekking tot de opsporing en de winning van delfstoffen. Een gedeelte van onze mijnwetgeving dateert al uit de napoleontische tijd. Zij is later aangevuld en uitgebreid, onder andere met de Mijnwet van 1903 en de Mijnwet continentale plat van 1965. Ook voor de winning van oppervlaktedelfstoffen zijn aanvullende regelingen ingevoerd, zoals de Ontgrondingswet van 1965, die pas in 1971 in werking is getreden.

Zoals alle rijkdom heeft ook ons bezit aan natuurlijke grondstoffen zijn schaduwzijde. Het is daarom goed dat hier een evenwichtig beeld wordt geschetst van onze behoeften en van onze mogelijkheden, maar ook van de gevolgen die een ongebreidelde winning met zich kan brengen. In de komende jaren zullen belangrijke politieke beslissingen worden genomen. Zo is een nieuwe ontgrondingswet in voorbereiding. De nota 'Gegrond ontgronden' heeft de discussie hierover reeds op gang gebracht. De te nemen beslissingen zullen voor geruime tijd de welvaart en het aanzien van ons land bepalen. Men moet 's Rijks Geologische Dienst dankbaar zijn dat hij op zo voortreffelijke wijze zijn taak als voorlichter van het publiek heeft begrepen. Alle weldenkende burgers, jong en oud, zij het resultaat van harte ter lezing aanbevolen.

Delfstoffen en samenleving, onder redactie van H. M. van Montfrans, L. W. S. de Graaf, J. M. van Mourik en W. H. Zagwijn (Geologie van Nederland dl.2). 83 blz., 89 fig., 2 losse kaarten. Rijks Geologische Dienst, Haarlem en de SDU, 's-Gravenhage.