Nieuwe Parsifal triomf voor Nederlandse opera

AMSTERDAM, 4 sept. Drie jaar geleden ging ter opening van het operaseizoen in het Amsterdamse Muziektheater een nieuwe produktie van Tristan und Isolde in premiere, de kaalste enscenering uit de Wagneriaanse opvoeringsgeschiedenis. Regisseur Jurgen Gosch werd na afloop door het woedend boe-roepende publiek bijna van het podium geblazen. Gisteravond ging ter opening van het operaseizoen in het Amsterdamse Muziektheater de premiere van Parsifal, een prachtige enscenering van opzienbarend muzikaal kaliber die een mijlpaal vormt in de Nederlandse operageschiedenis. Er wordt niet alleen voortreffelijk gezongen, maar vooral het zeer hoge niveau van de begeleiding door het Nederlands Philharmonisch Orkest betekent na een aantal moeilijke jaren een ware triomf voor chef-dirigent Hartmut Haenchen, die deze voorstelling met groot gezag leidt. En alweer werd de regisseur, dit keer Klaus Michael Gruber, weggehoond door het publiek, zij het iets minder massaal dan het geval was bij Gosch. Gruber, een van de beroemdste eigentijdse Duitse regisseurs, maakte zich snel uit de voeten.

Het is ook nooit goed bij het Amsterdamse publiek, dat doet alsof het al jaren verwend is met Wagners van uitzonderlijke klasse. Waren bij Gosch het vrijwel lege toneel en de uit omgeslagen lakens bestaande kostumering inderdaad opmerkelijk spaarzaam, bij Gruber is van zoiets geen sprake. Voor de drie actes heeft hij zes magnifieke toneelbeelden van een grote beeldende kracht, met fraaie verwijzingen zoals naar Da Vinci (de lange avondmaalstafel) of naar Miro (de kleurige surrealistische tovertuin van Klingsor) of naar de kathedraal van Siena, het klassieke Parsifal-decor (de zich vanzelf hergroeperende houten pilaren). Voor de tweede keer na Harry Kupfer is hier een regisseur aan het werk die de enorme omvang van het Amsterdamse podium werkelijk uitbuit: bij voorbeeld als daar een avondmaalstafel van vijfentwintig meter lengte het toneel wordt opgeschoven en de breedte wordt geaccentueerd door het voordoek een eind te laten zakken. Of als daar Kundry geheel rechts tegen de toneellijst staat en Parsifal, volkomen links, wel een mijl van haar verwijderd lijkt.

Men zou deze enscenering postmodern willen noemen, als die kwalificatie niet zo'n ongunstige bijklank zou hebben. Wat Gruber doet is het met deels nieuw ogende middelen bereiken van klassieke waarden in het theater, van een waarlijk ouderwetse kwaliteit. De kostumering van harnas tot spijkerbroek en de decors van abstract tot naturalistisch verlenen het gegeven eeuwigheidswaarde. En de personages worden hier verheven tot monumentale archetypes, die zich niet verliezen in het maken van ook maar een gebaar of beweging te veel. Parsifal is immers geen opera of drama, het is een exclusieve en etherische plechtigheid.

Pag.6: Vervolg

    • Kasper Jansen