Met nieuw elan het civiele socialisme praktizeren

De Partij van de Arbeid staat voor een vuurproef: de verkiezingen van 1993 zullen duidelijk maken of de kiezers nog bestaansrecht toekennen aan een afzonderlijke sociaal-democratische partij. Ondanks de schijn van het tegendeel hoeven pessimisten, die menen dat de PvdA ten onder gaat, niet per se gelijk te krijgen. Een mogelijke redding van de sociaal-democratie ligt in het perspectief van een zogenoemd civiel socialisme, naar het idee van de Webbs en hun 'cooperatieve gemenebest'. Wie de argumenten van de optimisten ('de PvdA komt weer tot leven') vergelijkt met die van de pessimisten ('de PvdA raakt verder in verval'), komt bijna vanzelf tot de conclusie dat de zwartkijkers gelijk hebben. Maar die conclusie zou voorbarig zijn. Het is dienstig op te merken dat de polemiek over de toekomst van de PvdA impressionistisch en kwalitatief is, waar bijvoorbeeld de deelnemers aan de polemiek over de toekomst van de Verenigde Staten als eerste mogendheid nog houvast kunnen hebben aan ladingen cijfers. In dit kwalitatieve debat worden nog geen extremistische meningen gehoord. Ik ken bijvoorbeeld geen pessimist die voorspelt dat de PvdA tegen 2000 in het museum staat, naast het spinnewiel, de bronzen bijl en de CPN. Evenmin zijn er optimisten die op hoge toon ('de luiken moeten weer dicht!') eisen dat de pessimisten hun mond houden of de partij verlaten. Het loont de moeite eens de aandacht te vestigen op de programmatische kern van alle sociaal-democratische glasnost en perestrojka, waarvan de levensvatbaarheid zo in opspraak is gekomen door het stroeve functioneren van de een na grootste volkspartij.

Wat hebben de vooraanstaande PvdA-intellectuelen Tromp, Kalma, Scheffer, Van den Berg, Schuyt, Koch, Juijsen, Tamboer, Tjeenk Willink, De Kam en Bomhoff gemeen? Het is ongebruikelijk de vraag zo te stellen. De betrokken groep zelf, die overigens meer leden telt dan de genoemde personen, is onderling verdeeld over de zin van het marktsocialisme (publiek-private verzekering tegen gezondheidsrisico's en dergelijke), de strategie van sociaal egalitarisme, de verhouding rechter-wetgever en de reactie op Europa '92 en de Oosteuropese revolutie. Om maar te zwijgen van meer concrete zaken als arbeidstijdverkorting, loonmatiging, kunstsubsidiering of positieve actie. Deze intellectuelen hebben bovendien de neiging elk minuscuul en prive-meningsverschil te sublimeren tot een richtingenstrijd. NRC Handelsblad-redacteur Hubert Smeets is er ooit in geslaagd een tegenstelling tussen linkse cultuuroptimisten en cultuurpessimisten te construeren rondom de thema's arbeidsethos en individualisering.

Niettemin is er wel een rode draad te ontwaren. Men stelt de Nieuw-Linksers (Lammers, Van Dam, Van den Doel, Van der Louw) aansprakelijk voor een goed deel van het verdriet van vooruitstrevend Nederland. Men herziet het tijdperk-Drees en looft de pragmatische hervormingsarbeid uit deze jaren. Men voelt aan dat een tweede verzuiling overbodig is geworden, maar stelt de gedachte van de politieke gemeenschap in het socialisme centraal en omschrijft deze gedachte met noties als het burgerschap, het publieke domein, de geintegreerde stad, het zorgvuldige beheer en de publieke sector, het primaat van de (representatieve) democratie, de rechtsorde van de arbeid, de solidariteit en de commutatieve rechtvaardigheid (recht tegenover plicht). En men herbevestigt de betekenis van de klassieke, dat wil zeggen burgerlijke, economische en politieke vrijheidsrechten van mensen, maar voelt weinig voor idealen als het basisinkomen of de nationalisatie van de grond.

We gaan nog een stap verder. Er bestaan thans linkse meningsverschillen over economisch-politieke beleidskwesties als de koppeling, het vredesdividend, de optimale belastingen, de bestrijding van de armoede, en de infrastructurele werken (wegen, tunnels). Maar de PvdA-intellectuelen zijn het er zo langzamerhand over eens dat elke overheidsbemoeienis met de burgerlijk-kapitalistische samenleving vooronderstelt dat een bevredigende oplossing is gevonden van twee hoofdproblemen: de verloedering van het openbaar bestuur en van de politieke democratie.

Het probleem van de verloedering van het openbaar bestuur behoefteigenlijk geen toelichting. Het is politiek op de voorgrond komen te staan door de parlementaire enquetes naar de scheepsbouw en de volkshuisvesting, een onafgebroken serie corruptie-schandalen en een crisis over de ministeriele verantwoordelijkheid. Het staat analytisch bekend als het dubbele vraagstuk van de tekortschietende naleving van de wet ('compliance problem') en het falende bestuurlijk vermogen van politici ten opzichte van hun ambtelijk apparaat ('principle-agent problem').

Het is een onderdeel geworden van ieders dagelijks leven. Want het uit zich in de rampzalige voortgang van vele overheidsprojecten (paspoort, studiefinanciering); in verspilling van algemene middelen (de Oosterschelde, de Stopera); in de informele of zwarte sector van de economie; in totale desorganisatie bij talloze ambtelijke diensten, zoals de belastinginspectie; in kwaliteitsverslechtering van zelfs de meest normale dienstverlening aan clienten in de publieke sector; in invloedsverruiming en overbelasting van de rechterlijke macht; in regelovertreding door ambtenaren zelf (bijvoorbeeld de GSD die de nieuwe werkloosheidswet niet uitvoert); en in massale en veelsoortige regelovertreding door de burgerij, in het verkeer, in de betaling van belastingen, in de bijstand en ga zo maar door. Het gaat samen met signalen van ontkenning, aanpassing, cynisme, schijnheiligheid, maar ook van alarmisme en moralisme. Het is, ten slotte, tamelijk chronisch geworden en heeft, om met H. J. A. Hofland te spreken, aan de Nederlandse constitutie het aanzien gegeven van een 'bananenmonarchie'. Het fenomeen van de verloederde overheid gaat uiteraard alle politieke partijen aan. Maar het is duidelijk dat vooral de PvdA in het nauw wordt gebracht door de cultuurpolitieke implicaties ervan. Het betekent niet minder dan de val van het axioma dat de (centrale) overheid de laatst verantwoordelijke instantie is om, namens de gemeenschap van burgers en desnoods met algemene dwang op grond van de meerderheidswil, de sociaal ongewenste gevolgen van het gedrag van individuen en groepen te overwinnen. Het maakt het sociaal-democratisch ideaal van de overheid als vorm van burgerlijk zelfbestuur en institutionele oplossing van de tekortkomingen van het marktkapitalisme (welstandsongelijkheid, segregatie, vervuiling) volledig illusoir. De Engelse socialist Brian Barry wijst op nog een derde gevolg. De verloedering van de overheid vergroot de aantrekkingskracht van een commercieel samenlevingstype, zoals dat in Zuid-Californie bestaat: 'Heeft de openbare gezondheidszorg lange wachtlijsten en ontoereikende faciliteiten? Verzeker je dan particulier.

Is het openbaar vervoer ingestort? Koop dan een auto voor elk lid van het gezin dat de vereiste leeftijd en een rijbewijs heeft. Is het landschap volgebouwd of zijn de voetpaden uitgeroeid? Koop dan een vernuftig apparaat en doe je lichaamsoefeningen thuis. Is de luchtverontreiniging ondragelijk? Koop dan een luchtfilter-installatie en blijf binnen. Smaakt het water uit de kraan nergens naar en zit het tjokvol kankerverwekkende stoffen? Koop dan flessen water'.

(B. Barry, Democracy, power and justice (1989), p. 541)

De sociaal-democraten roepen dat de uitvoering van overheidsbeleid goedkoper is dan het aggregaat van al deze defensieve consumptieve uitgaven. Ze beweren ook dat deze letterlijke privatisering de vervreemding en het wantrouwen in de samenleving slechts vergroot. Maar wie kan in redelijkheid geloven in het socialisme als beschavingsvorm als socialistische ministers, staatssecretarissen en wethouders geen einde weten te maken aan de verloedering van de overheid, haar zelfs in de hand werken of bedrijfsblind zijn voor het hele probleem, zoals Walter Etty dat was? Het probleem van de verloedering van de politieke democratie is infeite een reeks van tendensen.

Het financiele toezicht van het parlement op de uitvoerende macht is verzwakt. De huidige poging van de Tweede Kamer om het verloren terrein te heroveren, is bij lange na niet toereikend en wordt gefrustreerd door het monisme van de regeringsfracties. De politieke partijen verliezen hun vermogen programmatisch te werk te gaan, op basis van beginselen belangen of eisen te bepalen en burgers in beweging te brengen. Ze worden machines voor de recrutering en selectie van carrierepolitici. De politieke apathie van bepaalde groepen burgers die worden betutteld of geschaad (bijstandstrekkers, langdurig werklozen, etnische minderheden) is versterkt. Het arbeidsbestel en het stelsel van sociale zekerheid zijn corporatistischer geworden. De terugtred van het parlement in deze sectoren ging gepaard met een verminderde representativiteit van de vakbonden, die immers vele leden verloren. De gerichtheid op het algemeen belang in de openbare oordeels- en besluitvorming is afgenomen, ondanks het bestaan van een gevestigde sociale beweging als de milieubeweging. De politieke arena en de massamedia worden gedomineerd door belangenorganisaties van producenten en pressiegroepen met een herverdelingsoogmerk. De centrale coordinatie van de plannen van deze belangenorganisaties en die van democratisch gekozen regeringen is afgenomen. Samengevat: er is weinig politieke deelname, er is te veel particularistische deelname en er is te weinig op het algemeen belang gerichte deelname. De stelling van de verloederde democratie moet uiteraard steunen op feiten.

Daarbij kan niet worden volstaan met een enkele verwijzing naar de lage Oerlemans-ratio, dat wil zeggen de verhouding tussen actieve partijleden en het totaal aantal kiesgerechtigden. In de Sociale en Culturele Verkenningen 1990/ '91 presenteert het Sociaal en Cultureel Planbureau een groot aantal indicatoren van politieke betrokkenheid. Men constateert dat deze betrokkenheid in de periode 1973-1989 vaak juist is toegenomen en velt een genuanceerd oordeel over de mate van afnemend vertrouwen, verminderde betrokkenheid en interne machtsconcentratie met betrekking tot politieke partijen. Zo bezien, is het gepraat van de commissie-Deetman over een vernieuwing van het politieke bestel (de Duitse twee-stemmenmethode en dergelijke) een donquichotterie waarmee het dolende Kamerlid de aansluiting met het kiezersvolk definitief verliest. Maar het bureau is hier zelf beduusd van: 'In de berichtgeving van krant en televisie is de tweede helft van de jaren tachtig toch niet opgevallen als een tijd van massale politieke activiteit' (p. 15). Ik geloof dat het lopende onderzoek naar de kwantiteit van de politieke participatie vooralsnog geen wijziging brengt in de kritiek van PvdA-intellectuelen op de kwaliteit van de democratie. Dat heeft alles te maken met de activistische visie op democratie in de moderne sociaal-democratie. Politieke democratie is in deze visie onlosmakelijk verbonden met politieke activiteit van de kiesgerechtigde bevolking. Ze houdt in dat de burgers zelf hun publieke zaken regelen of dat zij actief zijn in de selectie van vertegenwoordigers. Hun beslissing om deze vertegenwoordigers een mandaat te geven is gebaseerd op een redelijke mate van actief ingewonnen informatie. Bij gebrek aan vertrouwen in de volksvertegenwoordiging worden de burgers opnieuw actief, door openbare kritiek te geven, waakzaam te zijn, georganiseerde druk uit te oefenen en falende vertegenwoordigers weg te stemmen.

Deze omschrijving van de werking van een democratie is idealistisch en heeft maar dit is speculatief haar wortels in het burgerlijk humanisme of republicanisme. Het is dit idealisme dat verklaart waarom de PvdA in de jaren zestig en zeventig in de ban kon raken van een hedonistische democratiseringsbeweging, die de directe democratie, de medezeggenschap en de protest-actie in het teken van hoogst persoonlijke, soms narcistische satisfactie en welzijn plaatste. Maar een vergelijkbaar idealisme is terug te vinden in het personalistisch socialisme van de naoorlogse, verzuilde PvdA. In deze opvatting werd van de werknemer verlangd dat hij niet alleen actief was in de industriele arbeid maar ook in de politiek. Deze politieke activiteit werd geacht gericht te zijn op het welbegrepen eigenbelang van de werknemer en de algemene groepsbelangen van zijn klasse. Ze werd ook geacht bij te dragen tot zelfrealisatie in de socialistische conceptie van het goede leven. En ze uitte zich in lidmaatschap van de vakbond en van de arbeiderspartij alsmede deelname aan het verenigingsleven, aan de politiek binnen de ondernemingen en aan de politiek op gemeentelijk en landelijk niveau. Zo rijst het beeld van de ideale werknemer-burger die werkt als hij kan werken, zijn vakbondscontributie betaalt, meestaakt wanneer dit nodig is, opkomt bij verkiezingen, trouw zijn linkse stem uitbrengt, zijn politieke informatie uit de krant of de bibliotheek haalt, rationeel vertrouwen schenkt aan zijn zaakwaarnemers, een deel van zijn vrije tijd aan politiek besteedt, keurig zijn belasting betaalt en de wet respecteert. De essentie van de verloedering van de democratie is nu dat beide typen, zowel de genotzoekende activist uit de Den Uyl-era als de cooperatieve arbeider uit de Drees-era, zijn uitgestorven, juist op het moment dat de verloedering van de overheid een mobilisatie van de burgerij wenselijk maakt.

De intellectuele oplossing van de twee genoemde en verstrengel de problemen wordt door de christen-democraten gezocht in het herstel van de intermediaire organen in de zorgzame samenleving (het particuliere initiatief), terwijl de liberalen haar zoeken in het herstel van een kleine waarborgstaat in een utilitaristische elite-democratie. De PvdA-intellectuelen kenmerken zich door anti-utopisme, afkeer van ideeenproduktie op commando en een zekere desorientatie, tot uiting komend in het gebrek aan constructieve denkbeelden en aansprekende slogans. Toch zijn ze vervuld van dezelfde nostalgie, al kijkt men niet verder terug dan Drees (1945-1960) en houdt men in het achterhoofd dat een herhaling van de geschiedenis niet kan worden geforceerd.

Wat bovendrijft, doet denken aan de idee van het cooperatieve gemenebest van de Webbs (1920) en kan misschien met de term civiel socialisme worden aangeduid. In een globale schets van dit socialisme springen drie elementen in het oog. Ten eerste wordt gepleit voor een versterking van de publieke doelgerichtheid van de burgers. De strijd tegen de verloedering van de overheid vergt een grootschalige demontage en wederopbouw van ondoelmatige en onrechtmatige systemen in de belasting, de landbouw, het verkeer, de medische zorg, de sociale zekerheid (de arbeidsongeschiktheids- en werkloosheidsregelingen), het hoger onderwijs, het strafrecht en de ouderdomsvoorzieningen. Hier is het niet genoeg om aan te komen met een ander salaris- en personeelsbeleid, budgettaire prikkels, regulering, technocratische reorganisatie en het beslissende referendum. De ruimte voor democratische verdelingsconflicten dient te worden ingeperkt door een ethische herorientatie op het algemene belang op lange termijn en de daaruit voortvloeiende gedragscode voor ambtenaren, leiders van belangengroepen en individuele burgers in hun diverse maatschappelijke posities. Dit pleidooi voor onderschikking van persoonlijk belang, factiebelang en klassebelang aan gemeenschappelijk belang komt neer op nieuwe evenwichten tussen politieke oppositie en politieke samenwerking, tussen wat men ontvangt van de politieke gemeenschap en wat men bijdraagt, en tussen privaat genot van rechten en deugdzaam gedrag in de publieke sfeer.

Ten tweede wordt gepleit voor een ratificatie van actuele gemeenschapsdoelstellingen. Tot deze doelstellingen voor een werkelijk vrije samenleving behoren de volledige werkgelegenheid bij economische stabiliteit, het ecologisch evenwicht en de behoorlijke levensstandaard voor iedereen. De beleidsdoelen van een kabinet, zoals het doel van de reductie van het financieringstekort, dienen primair consistent te zijn met zulke gemeenschapsdoelstellingen. Voor de zogeheten sociale partners geldt per definitie iets soortgelijks. Ten derde wordt gepleit voor een versterking van de autonomie en neutraliteit van de sociale rechtsstaat ten opzichte van de gevestigde belangen die hij zelf opwekt. Deze wordt bereikt door afscheid te nemen van producentenparadijzen en inactievenparadijzen. Een concreet voorbeeld van het eerste is de afschaffing van allerlei protectionistische subsidies in de marktsector (landbouwsubsidies, investeringspremies). Een schoolvoorbeeld van het tweede is de bestrijding van fraude in de bijstand. De civiele socialist gruwt evenzeer van de lobby in het vrachtvervoer die compensatie eist en krijgt zodra het Duitse milieubeleid de tolheffing opvoert, als van de ondernemende, calculerende en autonome werklozen, binnen welke groep zich, volgens een recent Leids onderzoek, het misbruik van uitkeringen concentreert. Er is dan ook geen goede reden om bij de ene groep te wachten op verinnerlijking en de andere groep aan discipline te onderwerpen.

Op 7 mei jongstleden kwam in de Beurs van Berlage een samenraapsel vanintellectuelen bijeen om te praten over de toekomst van het Nederlandse socialisme. Het gezelschap werd op het verkeerde been gezet door een tobberig discours van de classicus Koolschijn over de smerige stad en hield vervolgens in een conventioneel vraag-en-antwoordspel de nul bekwaam vast. Wat echter voor de toehoorders een niet-gebeurtenis was, bleek al gauw voor buitenstaanders de zoveelste aanwijzing voor de stelling dat de PvdA in een ideologische leegte of een postmoderne onoverzichtelijkheid is terechtgekomen. Van Doorn, kenner van de geschiedenis van de SDAP, legde zelfs een verband tussen intellectuele machteloosheid en de opheffing van de oude sociale kwestie, de verdwijning van de volgzame volksmassa en de opkomst van deskundigen (NRC Handelsblad, 17 mei jl.). Mijn poging tot gestileerde weergave van het gedachtengoed van de PvdA is slechts bedoeld als een bestrijding van zulk fatalisme. De rechtvaardiging van de argumenten van het civiele socialisme is een heel ander verhaal, zoals de bespreking van details en beleidsmatige uitwerkingen dat ook is.

Blijft over de vraag of de PvdA-helft van het kabinet door dit civiele socialisme wordt gemotiveerd of zich erdoor behoort te laten leiden om politiek succesvol te zijn. Men kan weinig definitiefs zeggen van een onervaren ministersploeg die in de slagschaduw van het mislukte kabinet-Lubbers/De Korte vertoeft en straks daaruit moet treden met de eerste miljoenennota. Het nieuwe gemeenschapsdenken wordt hier en daar vertaald in beleid. Kok streeft ernaar de inkomstenbelasting drastisch te vereenvoudigen en het staatsvermogen te beschermen door een verschuiving van consumptieve overheidsuitgaven en overdrachtsuitgaven naar overheidsinvesteringen. Alders baseert zijn uitvoering van het Nationaal Milieubeleidsplan op de nota De samenleving verandert de overheid! (1988) van Alders en Kalsbeek, die zich laat lezen als een rommelige doctoraalscriptie over civiel socialisme. In het voorstel van Ter Veld om de arbeidsongeschiktenstroom in te dammen met boetes, beloningen en quota kan men een voorzichtige poging zien om werkgevers aan hun burgerlijke verantwoordelijkheid te herinneren. In dit rijtje past ook het opmerkelijke persoonlijke en culturele reveil van fractievoorzitter Woltgens tijdens de laatste partijraad.

Daar staat tegenover dat het idee om de dienstplicht af te schaffen in strijd is met civiel socialisme, dat er buiten de sociale vernieuwing weinig eenheid van beleid is en dat men doodsbenauwd is de kiezers lastig te vallen met enige idealistische of moralistische bezieling. Zou het helpen als dit laatste straks wel gebeurt? Paul Scheffer heeft erop gewezen dat de uitgangsvoorwaarden voor een Drees-renaissance bijzonder ongunstig zijn. Zijn redenering strookt met Dahrendorfs twijfel aan een frictieloze wederkeer van de sociaal-democratische consensus. De mogelijkheden voor een strikt nationaal beleid zijn kleiner geworden. De arbeidsmoraal is geliberaliseerd. De arbeidersklasse is zowel in culturele als structurele zin uiteen gevallen. De maatschappelijke tegenstellingen vallen steeds minder samen met het 19de-eeuwse schema. Het socialistische vooruitgangsgeloof is verzwakt door het besef van de risico's van natuurvernietiging en de opwaardering van anti-modernistische tradities. Men kan hier nog aan toevoegen dat de vakbeweging zich heeft losgemaakt van de PvdA, gebukt gaat onder zwak leiderschap (Industriebond FNV, Vervoersbond FNV), soms bloot staat aan de verleiding van syndicalistische loonstrijd en altijd het behoud van haar institutionele plaats voorop stelt. Een civiel-socialistisch herstelbeleid staat of valt met de medewerking van de vakbeweging. Maar deze medewerking is vandaag allesbehalve gegarandeerd.

Ondanks dit alles, zou mijn advies zijn dat de PvdA haar risicomijdende koers laat varen en met het nodige elan, het civiele socialisme in praktijk brengt. Zonder een overgang van materialisme met een kwaad geweten naar politiek idealisme zullen vermoedelijk geen blijvende resultaten worden geboekt. De verkiezingen in 1993 zullen dan de gewenste duidelijkheid brengen over de vraag of de kiezers nog bestaansrecht toekennen aan een afzonderlijke sociaal-democratische partij of de voorkeur geven aan een bundeling van liberaal-democratische stromingen.

    • J. W. de Beus