Literaire Tijdschriften

Schepnet en harpoen

Van Bernard 'Apostrophes' Pivot hoeft de boog niet altijd gespannen te zijn. Zijn breed opgezette boekenmagazine Lire heeft in de zomer altijd luchtige dubbelnummers, met op het omslag prominent het woord 'vacances', in vierkleurendruk geillustreerd door een intellectueel meisje met een boek in de zon, of anders wel door een tekening van parasols bij een luie branding. Van juni tot en met september de zomer duurt in Frankrijk net iets langer valt in Lire altijd veel wetenswaardigs te lezen over het detective-verhaal, gastronomische reisgidsen, of 'het wezen van de Walkman'. De serieuze concurrent van Lire, het oudere maandblad Magazine Litteraire, heeft graag dat zijn lezers ook in de zomer bij de les blijven. Het laatste dubbelnummer kondigt op het omslag in passend rood en zwart weer eens een literair-filosofisch dossier aan, ditmaal over het nihilisme.

Een ideaal thema, zo blijkt, want het woord nihilisme is gehuldigd door velen dichters, filosofen, politici, kunstenaars maar zelden in dezelfde betekenis, zo laat Francois Ewald zien in een overzicht.

Wie denkt dat de etymologie 'nihil' is 'niets' veel houvast biedt, vergist zich, schrijft Ewald. Bij de achttiende-eeuwse Duitsers Fichte, Novalis en Jacobi gaat het eerder om een metafysisch 'alles', dat men pas leert kennen wanneer men de grenzen van het Ik te buiten weet te gaan. Soms gaat het om een absolute, bijna Zen-boeddhistische leegte, soms alleen om de ontkenning van de maatschappelijke normen en waarden van dat ene moment.

Vooral die laatste betekenis is bekend geworden door Toergenjevs Vaders en zonen uit 1861, waarin de nihilist Barazov wordt omschreven als 'een man die buigt voor geen enkel gezag, die van geen enkel principe zijn geloof maakt'.

Van de Russische politieke nihilisten is het maar een geringe stap naar Nietzsche's Umwertung aller Werte, Heidegger en Camus dat is tenminste wat dit dossier ons wil doen geloven, want het thema is weer eens eerder een fijngemaasd schepnet dan een harpoen, met alle bijvangst vandien: anarchisme, existentialisme, het Weense fin de siecle, het 'isolisme' van Sade, het gedachtengoed van dada, Beckett, Celine. Zo heeft ook het oeuvre van Flaubert 'een nasmaak' van het neant onvertaald is onversneden doordat hij, zoals bekend, op jonge leeftijd wel eens in de snijzaal keek van het ziekenhuis in Rouen, waar zijn vader directeur was. Zo wordt dus ook Emma Bovary's zelfmoord (1857) een nihilistische daad avant-la-lettre.

Voor dit dossier van Magazine Litteraire is iedereen die de mens geen flierefluiter vindt op zijn minst verwant aan het nihilisme. De vraag is wat 'nihilisme' dan nog betekent. Verfrissend is het essay van Andre Comte-Sponville over 'het niets' als begrip. Volgens hem proberen de filosofen van 'het niets' Sartre, Nietszsche vruchteloos 'de onmogelijke gedachte denken'.

Men kan maar het beste doen als Woody Allen, betoogt hij: 'De twijfel knaagt. Stel nou eens dat alles illusie is niets bestaat. In dat geval heb ik veel te veel betaald voor mijn vloerbedekking.' Zo het nihilisme al een zekere gebruikswaarde heeft, dan ligt die hierin dat het nihilisme ons wijst op 'zijn tegendeel': de liefde. Al is het twijfelachtig of Woody Allen het daar mee eens zou zijn. Magazine Litteraire; no. 279, juli/augustus 1990, fl.11,00.

Schrijver en blikopener

De nieuwe Tirade opent met een moedwillig literair verhaal van Paul Meeuws. Het heet 'Kunstwol' en gaat over de jongeman Alois die komt te werken in een fabriek van geluiddempers waar horen en zien je vergaat door het helse gestamp der machines. De wol uit te titel, waarmee knalpotten gevuld moeten worden 'je hand wil erin woelen, je wang wil het strelen' bestaat bij nader inzien uit haarfijne naaldjes van glas. 'Sommige ouderen toonden een bijna tedere bekommernis om zijn huidvlekken en raadden hem zwachtels aan, gedrenkt in azijn, of veel zonlicht, dat de huid strak trok, waardoor de naaldjes er vanzelf uitsprongen. Anderen maakten zich plotseling zorgen over het uitblijven van allergische symptomen bij zichzelf. Geheel ongevoelig was geen mens. Hoe dikker de huid, hoe weerlozer de inborst, dat wist iedereen.' Verder in Tirade een aantal stukken over de ontroering. In 'Plaatstaal, bloed en de logica van het gevoel' vraagt Charlotte Mutsaers zich af hoe de literaire ontroering tot stand komt. Om te beginnen vindt ze het geen compliment te zeggen dat iemand 'ontroerend' schrijft; dat doet 'de literatuur tekort', want hetzelfde gevoel kan opgewekt worden door boeken die geen literatuur zijn. Dat is 'sneu voor de kunstenaar'. Mutsaers roept een paar jeugdige ontroeringen op, zoals die van de zaterdagse schrobbeurt met een houten Vero-borstel, waarbij haar vader zong: 'In 't groene dal, in 't stille dal, / Waar klei-ne bloem-pjes groei-jen, / Daar ruischt een blan-ke wa-ter-val, / En drup-pels spat-ten o-ver-al, / Om ie-der bloem-pje te be-sproei-jen... / Ook 't kle-hei-hein-ste, / Om ie-der bloem-pje te be-sproei-jen, / Ook 't klei-hein-ste!'. 'Steevast barstte ik bij 'ook 't kleinste' in tranen uit. Ook toevallig, zei mijn vader dan, dat ik net met een handdoek in mijn handen sta.' Volgens Mutsaers horen deze ontroeringen tot een geheel andere categorie dan de literaire. Die schuilt namelijk in de vorm, ook al is die van 'plaatstaal'.

Verdiep u in het werk van 'onaardige' schrijvers, luidt Mutsaers' opdracht. Haar 'ideale lezer zit dan ook niet met een boekenlegger in zijn hand maar met een breekijzer.'

Literatuur: 'een stevige brandkast met een bloedende inhoud'.

'Kan de essayist ontroeren?', vraagt Willem-Jan Otten zich af in een piepklein essay van die titel. Ja, wanneer hij de rand bereikt van de poezie, die 'op een tantalusachtige wijze buiten bereik blijft'.

Het is de kunst om dan niet toe te geven. De 'nederlaag' die men dan lijdt is 'voorbeeldig' en wordt dan op zichzelf weer 'een voorwerp van verlangen'.

Het is dat het eruit ziet als proza, maar je zou zweren dat het een gedicht was. Ook J. Bernlef schrijft over ontroeringen, eerst als waarnemer huilen in de bioscoop, bij muziek, op de voetbaltribune, bij een schilderij en vervolgens vanuit het standpunt van 'de maker'. Daartoe citeert hij een hele pagina over een dood vogeltje op het strand uit zijn eigen roman Meeuwen, waardoor een lezer eens schreef ontroerd te zijn geraakt. 'Maar had ik zelf iets gevoeld toen ik het bovenstaande schreef? Niets natuurlijk. Ik schreef eenvoudig. De ene zin en toen de andere en toen nog een. En toen het af was zag ik dat het goed was; geordend door stijl. Maar ontroerd? Geen moment.' Robert Anker schrijft een ontroerende brief aan een zekere Robbie, die hij van vroeger kent. 'Bij de boerderij van Koster liggen 's ochtends een keer twee iepen dwars over de weg. Dat het daarna toch weer waait op die plek, verbaast je want bomen brengen immers de wind voort. Zo begrijp je ook lang niet hoe je tante op dezelfde dag jarig kan zijn als jij, terwijl ze veel ouder is. De knecht van je vader zegt dat zijn timmermanspotlood rood schrijft. 'Rood' schrijft hij op een plankje. Diep in gedachten loop je naar buiten. In die tijd neem je het besluit geen beroep te kiezen waar je een duimstok voor nodig hebt.

'

Dat is dus gelukt. Tirade 1990/4; Uitg. Van Oorschot; fl.15,00.

    • Hans Steketee