Een blikken koektrommel met een dodenmasker

Op een sokkel in een donkere hoek van de hal van het van Abbemuseum staat de Licht-Ruimte Modulator van de Bauhaus-kunstenaar Laszlo Moholy-Nagy (1895-1946). Het is een reconstructie uit 1970 van een beeld uit de jaren '20. Het is een verticale, open constructie van glimmend metaal. Een druk op een knop zet de Modulator in beweging. Zachtjes rinkelend en een beetje plechtig draait hij om zijn as, de zilverkleurige elementen weerkaatsen het licht en werpen reflecties op de muren. Het beeld werd vervaardigd uit voor die tijd nieuwe materialen en geldt als een van de vroegste 'kinetische' sculpturen. Het heeft iets euforisch, het belichaamt een optimistische verwachting van verandering en vernieuwing. Moholy-Nagy wilde door middel van beweging en licht 'het dynamisch principe van het leven' in de kunst tot uiting brengen.

Een groter contrast met het werk van de Frans-Poolse kunstenaar Christian Boltanski (Parijs, 1944), is nauwelijks denkbaar. De objecten en installaties van Boltanski, aan wie het Van Abbemuseum deze maand een overzichtsexpositie heeft gewijd, staan zonder uitzondering in het teken van vergankelijkheid en verval. Hier is nergens sprake van een optimistische kijk op de toekomst, maar juist van een gebukt gaan onder de zware last van het verleden. Deze tentoonstelling is een groot memento mori, waarbij bovendien noties als schuldbesef en verlossing een rol spelen. Boltanski in een vraaggesprek: 'Ik ben geobsedeerd door het verval. Mijn kunst is een pessimistische kunst, een kunst van slachtoffers. Ik geloof niet dat er een oplossing bestaat, want alles is afschuwelijk, alles leidt tot de dood.'

En: 'Voor je het weet ben je, als je tenminste niet gelovig bent, gereduceerd tot een weerzinwekkende hoop stront.' In de eerste zaal, waar zich werken uit de vroege jaren zeventig bevinden, blijkt deze thematiek direct. Boltanski deponeerde in een vitrine onder meer een plukje haar, een aantal zakmesjes die hij maakte van scheermesjes (slechts enkele van de vele honderden die Boltanski in de loop der jaren heeft vervaardigd), foto's uit een familie-album en suikerklontjes die hij tot 'sculptuurtjes' verwerkte. Ook ligt er een zelfportret tussen, een foto van zichzelf als dode met een gewond gelaat. De albumfoto's dienen als herinneringen aan een door hem gefingeerde, of geconstrueerde, kindertijd. Erboven, aan de muur, hangt een foto-inventaris van de kledingstukken van een jongen, 'Francois C.', gevat in roestige foto-lijstjes.

Alle werken op de tentoonstelling bestaan uit voorwerpen die mensen achterlieten na hun dood ('echt' of fictief, dat doet er niet toe): kleren, linnengoed, vooral portretfoto's, en oude blikken koektrommels soms beplakt met een foto van de overledene die de laatste bezittingen bevatten. Sinds 1973 is een vast onderdeel van iedere expositie van Boltanski een zaal met daarin de inboedel van een individu uit het land waar de expositie plaatsvindt, in dit geval een Nederlandse student. Zo'n inboedel bevat zekere aanwijzingen over de persoon van de eigenaar de student schaakt bijvoorbeeld, hij heeft een racefiets, en uit zijn boeken zou je eventueel op kunnen maken dat hij een letterenstudent is, maar zeker is dat niet. In de loop der jaren verdwijnt het individu echter meer en meer uit het werk van Boltanski om op te gaan in de anonimiteit van de massa.

In Les Enfants de Berlin (1975) zijn de afzonderlijke kinderen op de foto's nog herkenbaar, hoewel hun gezichten vreemd maskerachtig zijn. Ze zijn hoog aan de muur, vlak onder het plafond, opgehangen, als om de afstand in de tijd te benadrukken. In latere werken zijn de foto's zo sterk uitvergroot dat de karaktertrekken vrijwel verdwenen zijn en de gezichten lijken op grijnzende dodenmaskers. Lampen en kaarsen, en altaar-achtige arrangementen, zoals composities in de vorm van een piramide of als drieluik, creeren een rituele en godsdienstige sfeer. In de laatste zaal is een wand geheel behangen met kledingstukken, tegen een andere wand staat een archief van honderden koekblikken, de sporen van individuele personen zijn hier bijna geheel uitgewist. Het zal duidelijk zijn dat Boltanski herinnert aan een specifiek drama in de recente geschiedenis, ook al vinden de foto's en voorwerpen daar niet letterlijk hun oorsprong. Het plukje haar in de vitrine doet in deze context onmiddellijk denken aan het 'museum' dat Auschwitz tegenwoordig is. Boltanski, zoon van een katholieke moeder en een joodse vader die zich al op jonge leeftijd tot het katholicisme bekeerde, heeft de vergassing van joden tot thema van zijn werk gemaakt. Zijn appel aan de collectieve herinnering is niet zonder resultaat gebleven: maar liefst acht vooraanstaande musea over de hele wereld hebben in de afgelopen twee jaar een overzichtsexpositie aan (de nog jonge) Boltanski gewijd.

Toch roept zijn werk twijfels op. Door de holocaust als thema te nemen heeft hij een pasklare en gemakkelijk herkenbare inhoud, of boodschap, gevonden voor zijn kunst. Dat niet alleen: ook staat hem een pasklare iconografie ter beschikking. Met andere woorden, het lijkt erop dat Boltanski dit beladen onderwerp op een simplistische manier hanteert als recept voor het maken van kunstwerken. Zijn werkwijze mist subtiliteit en nuance. Zaal na zaal roept hij de herinnering aan miljoenen doden op, maar zo dat de schok, de ontroering, eraan ontnomen wordt. Daar komt nog bij dat Boltanski's methode langzamerhand veel wegheeft van een lopende band-produktie van koektrommels met foto's van overledenen erop. 'Ik ben de lijkenkoopman', zegt hij van zichzelf. De holocaust dreigt kitsch te worden.

De expositie in het van Abbe staat dichter bij het theater dan bij de beeldende kunst. Dit is trouwens een algemene tendens in de hedendaagse kunst: steeds meer verdringt het theater van de kunst het kunstwerk zelf zoals onlangs de expositie 'Energieen' in het Stedelijk Museum nog liet zien. Boltanski creeerde een twintigste-eeuwse dodendans, een schimmenspel met in de hoofdrol de Engel de Doods. Maar de kaarsjes en lampjes brengen eerder een knusse kerstsfeer teweeg, dan dat hier iets van de Tweede Wereldoorlog doorklinkt. Herhaaldelijk heeft Boltanski in interviews benadrukt dat het zijn opzet is om 'de mensen te laten huilen', maar hij schiet zijn doel voorbij.

    • Janneke Wesseling
    • M 6
    • Waarin Facsimile'S van Kaarten
    • Christian Boltanski. van Abbemuseum
    • M Zo 11-17 Uur. Catalogus in de Vorm Vandoos
    • Vroegere Catalogi
    • Een Interview
    • Essay van Lynn Gumpert