Kritiek op 'slap sausje' van Ritzen

ROTTERDAM, 3 sept. Universiteiten kunnen zonder kwaliteitsverlies hun onderwijs zo organiseren dat tachtig procent van de eerstejaars studenten in vier jaar het doctoraalexamen haalt. Dat meent rector magnificus prof. dr. R. A. de Moor van de Tilburgse Universiteit. De Moor zei dit vandaag in zijn rede bij de opening van het academisch jaar. Volgens de Tilburgse rector magnificus moet aan de universiteiten de cursusduur in de eerste fase voorlopig voor alle studies vier jaar blijven. Een variabele cursusduur, zoals aan andere universiteiten bepleit, wees hij af. Dat zou volgens hem wel aan de hogescholen kunnen, waar de lengte van de studie moet worden afgeleid van de beroepseisen die worden gesteld. De Moor wees verkorting van de cursusduur in het hoger beroepsonderwijs tot drie jaar voor studenten met een VWO- of MBO-diploma, zoals minister Ritzen (onderwijs) wil, op onderwijskundige gronden van de hand.

Ritzen kreeg vandaag in de verschillende openingsredes kritiek op zijn pogingen om bezuinigingsmaatregelen te 'verkopen' als onderwijskundige vernieuwing. De minister sprak zelf aan de Utrechtse universiteit en kreeg daar van zijn gastheer te horen dat de universiteiten 'eczeem krijgen als puur financiele maatregelen ook nog eens worden gepresenteerd met een onderwijskundig sausje, een slap, zelfs laf sausje'.

De kritiek kwam niet alleen van bestuurders die een andere politieke partij dan Ritzen zijn toegedaan, ook partijgenoten zoals in Maastricht en aan verscheidene hogescholen leverden pittige kritiek op zijn beleid. Ook zijn veranderingen in de voorgestelde Wet hoger onderwijs en zijn plannen voor een nieuw financieringssysteem moesten het ontgelden.

Aan de meeste universiteiten werd zoals gebruikelijk gevraagd om meer geld voor onderwijs en onderzoek. Veel universitaire bestuurders hielden zich aan de onderlinge afspraak in hun redes de bemoeienis van de buitenwereld met de universiteiten aan de kaak te stellen. In vrijwel identieke bewoordingen werden de uitspraken van minister en adviescolleges over de gang van zaken aan de universiteiten bekritiseerd als 'moties van wantrouwen'. 'Alsof iedereen beter weet dan de colleges van bestuur hoe de universiteiten bestuurd moeten worden buitenstaanders, ook al zitten er in de adviescommissies veel mensen uit de universiteiten.' Door voortdurend te spreken over hoe het beter moet, is het niet gemakkelijk om de maatschappelijke waardering voor de universiteiten te vergroten, zo viel onder andere in Groningen, Maastricht, Eindhoven, Delft, Rotterdam en Leiden te beluisteren. Volgens rector prof. dr. ir. J. H. A. de Smit van de Twentse Universiteit blijft verbetering van het imago van de universiteiten moeilijk zolang de universiteiten overheidsinstellingen blijven.

Aan veel universiteiten werd de overheid gevraagd hen voorlopig met rust te laten. De stortvloed van maatregelen zou alleen maar een ontwrichtende uitwerking hebben, al werd aan universiteiten zoals die in Nijmegen, Tilburg en Groningen, een aantal in het recente verleden fel bestreden maatregelen nu positief gewaardeerd. Zo heeft de voorwaardelijke financiering van het onderzoek tot een kwaliteitsverbetering geleid, erkende De Moor in Tilburg.

Aan het onderwijs werd in de openingsredes dit jaar betrekkelijk veel aandacht besteed. Aan enkele universiteiten, zoals in Eindhoven, werd voor toelatingsexamens gepleit. In Groningen waarschuwde rector magnificus prof. dr. L. J. Engels voor het onderbrengen van HAVO en VWO in een lyceumstructuur. Hij vreest dat dan de 'op het wetenschappelijk onderwijs voorbereidende kwaliteit van het VWO' wordt aangetast. Aan de meeste universiteiten werd voornamelijk in abstracte termen gesproken over de noodzaak tot differentiatie van het onderwijsaanbod, bijvoorbeeld in studies van verschillende duur, om zo meer studenten naar de eindstreep te brengen. De Smit in Twente pleitte voor een 'studiecontract' tussen student en universiteit. Dat moet een einde maken aan de zijns insziens te grote vrijblijvendheid waarmee er gestudeerd wordt waardoor ook de produktiviteit van de docenten lager is dan als studenten wel gewoon de colleges zouden volgen en de tentamens op schema zouden afleggen. Volgens De Smit zou het contract een idee dat al uit de jaren zeventig stamt studenten en docenten tot extra inspanningen moeten verplichten.

In Maastricht stak dr. K. Dittrich de hand in eigen boezem. Meer geld is weliswaar noodzakelijk, maar Dittrich vermoedt dat de geleidelijk oplopende studievertraging en het dalende percentage studenten dat op tijd afstudeert, toch vooral aan de universiteit zelf te wijten zijn. Volgens Dittrich zou de universiteit in Maastricht door de groei in de afgelopen jaren bij de selectie van docenten te weinig hebben gelet op hun geschiktheid voor het Maastrichtse onderwijssysteem. Ook zou de scholing en bijscholing van de docenten te wensen over laten.

In Maastricht haalt in de verschillende studierichtingen overigens tien tot 15 procent meer studenten het doctoraalexamen dan aan de andere universiteiten. Bovendien doen zij dat in minder dan vijf jaar, terwijl de gemiddelde studieduur in het land naar zes jaar verschuift. Als aan de andere universiteiten dezelfde gemiddelde studieduur als in Maastricht werd gehaald, zou dat alleen al aan basisbeurzen een besparing opleveren van ten minste 140 miljoen gulden op, zo rekende de voorzitter van de universiteitsraad drs. P. C. Hilderink zijn gehoor voor. Tijdens de opening werd oud-minister Deetman als zesduizendste student ingeschreven, ooit als Kamerlid indiener van een motie dat de nieuwe universiteit in Maastricht ten minste zesduizend studenten moest halen.

Dit jaar waren het voornamelijk de 'externe' sprekers die de bestuursorganisatie van de universiteiten bekritiseerden. In Maastricht noemde president prof. dr. P. J. D. Drenth van de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen de huidige bestuursstructuur achterhaald en bovendien ondoelmatig. Universiteitsraden zouden volgens hem geen bestuurlijke macht moeten hebben: de medezeggenschap van studenten en medewerkers zou met advies- en ondernemingsraden moeten worden geregeld. De faculteiten zouden een beroepsdecaan moeten krijgen.

Prof. dr. ir. Rorsch, lid van de raad van bestuur van TNO, pleitte in Leiden ook voor vervanging van het huidige radenstelsel. Evenals Drenth ziet hij meer in een regeling van de medezeggenschap op de manier waarop dat in het bedrijfsleven gebeurt door middel van ondernemingsraden dus. Er kan daardoor sneller worden gewerkt en de bureaucratie zal erdoor verminderen, zo meent de TNO-bestuurder. Maar de 'bazen' moeten wel een natuurlijk en erkend gezag uitstralen, anders leiden de veranderingen waarschijnlijk enkel tot nog meer bureaucratie.

Rorsch verwacht dat veel tegenstand tegen afschaffing van de huidige bestuursstructuur zal komen van de wetenschappelijke staf. Net als in de onderzoeksinstituten is ook aan de universiteiten het conservatisme onder de onderzoekers groot. Om dit conservatisme (waarbij veel medewerkers 'tegenwerkers' bleken) te omzeilen is er een zeer bureaucratisch en ingewikkeld stelsel ontstaan dat het wetenschapsbeleid in de praktijk handen en voeten moet geven. Volgens Rorsch is er van dat wetenschapsbeleid eigenlijk alleen sprake als er in het parlement over wordt gesproken, voor het overige houdt het vooral ambtenaren aan het werk.