KOMEDIE VAN DE WELVENDE BUIKEN

In de ogen van Japanners zijn sumo-worstelaars kawaii, schattig. Het zijn net grote baby's, slechts gekleed in een mawashi, een lendegordel van fraai zijden. Vooral oudere vrouwen vallen op de jongens met de kindergezichten en in Sendai zijn de vrouwen op leeftijd dan ook volop in de zaal vertegenwoordigd. Alleen, of samen met hun families. De meeste bezoekers hebben buiten in de vele stalletjes eten (een soort stew van lekkere, maar stinkende gedroogde inktvis) gekocht dat ze binnen op hun gemak oppeuzelen.

Als de worstelaars de hal betreden kun je een speld horen vallen. Het blijft eveneens stil wanneer de mannen aan hun warming-up beginnen. Zwijgen maar attent toekijken, zo weet het publiek, daarmee toon je op dit moment je waardering het beste. De kijkers roeren zich pas als het sein klinkt dat de matches aanvangen. De regels van sumo zijn simpel: twee worstelaars proberen elkaar uit de ring te duwen, te gooien of te tillen. Wie buiten de circel stapt of met een ander lichaamsdeel dan zijn voeten de grond raakt, is geklopt. Er zijn 48 klassieke worpen, waarvan de meeste met een gordelgreep beginnen.

Eetpartijen

In Sendai is het eerst de beurt aan een hele reeks jonkies, plaatselijke en regionale talenten die nog in opleiding zijn. Op vijftienjarige leeftijd komen ze in de worstelscholen en daar beginnen dan de onvermijdelijke eetpartijen: rijstepap, biefstukken en bergen aardappels, weggespoeld met liters bier. Veel lichaamsgewicht is essentieel, want bij sumo is techniek weliswaar belangrijk, toch blijft het een krachtsport.

Alle gebruinde dikkerds hebben hetzelfde kapsel. Het haar is door een tokoyama strak achterover gebonden in een knot, die aan het einde van de carriere wordt afgeknipt. Een plechtige gebeurtenis, die als het grootheden betreft gewoonlijk door de televisie wordt uitgezonden. Wie, op een kussen en in Japanse houding, dicht bij de arena zit kan ook de zoete haarcreme van de artiesten ruiken. Het verhoogde 'gevechtsterrein', in Sendai bestaande uit zand en leem en omgeven door rijstbalen, is heilig. Vrouwen mogen het niet betreden: Ooit wilde een vrouwelijke minister een sumo-toernooi openen, maar de conservatieve worstelbond weigerde haar eenvoudig de toegang tot het podium.

Een legende wil dat het ontstaan van het Japanse ras afhing van een sumo-wedstrijd. Het Japanse volk kon pas in het land gaan wonen nadat de god Takemikazoetsji de god van een concurrerende stam had verslagen. Sumo is van oorsprong een sport om de hogere wezens te vermaken. Tussen de achtste en twaalfde eeuw traden de worstelaars vooral op aan het keizerlijke hof. Bepaalde ceremonies herinneren nog aan de oude tijd: bijvoorbeeld het gedrag van de omroeper en de scheidsrechter.

De eerste betreedt de ring in een historische klederdracht. Voor elke partij, of het nu om jonkies of arrive's gaat, zingt hij de namen van de strijders op een saaie toon, die doet denken aan het geluid van een pastoor in de late zondagmis. De arbiter hij draagt een kimono en heeft een spits toelopend mutsje op dat aan een touwtje om zijn kin vastzit roept vervolgens de namen nog een keer luidkeels en hij voegt er de school en de woonplaats van de twee worstelaars aan toe.

Geluid

Daarna lijkt het gevecht te kunnen beginnen. Maar alvorens het zo ver is doen de twee steevast nog een korte rekoefening, hurken ze tegenover elkaar, klappen tegelijk een keer in hun handen en meppen nog even op een bil, die in de meeste gevallen te dik is voor twee stoelen. Dan gaan ze elkaar te lijf. Aangezien de ruimte te klein is om een tegenstander te ontwijken, moeten ze wel meteen op elkaar botsen, hetgeen met een ferm geluid gepaard gaat. Behendigheid, kracht maar ook enig geluk bepalen de winnaar gewoonlijk al binnen twaalf seconden.

Het publiek in Sendai wordt pas enthousiast na tweeen, als de kanjers van rond de tweehonderd kilo worden aangekondigd. Die beginnen hun optreden met een show. Met een royaal geborduurde schort voor betreden ze het podium, waarbij enkelen zich met mime-acts tot de goden wenden. Staan ze met hun welvende buiken en gespannen pezen eenmaal tegenover elkaar, dan werken ze op de lachspieren. Want soms kijken ze elkaar wel een minuut lang in de ogen en keren hoofdschuddend naar hun hoek terug. Voor ze de strijd hervatten strooien ze met een nonchalant gebaar zout in de ring. Dat ontsmet en, zo gaat het verhaal, dat jaagt de boze geesten weg.

Ze hebben, staat op de aanplakbiljetten te lezen, de mooiste namen: Ochtendrood is er, Misteiland, Grote Draak en Grote Jonge Pijnboom. Massaal applaus klinkt als Konishiki, ogend als een grote vetkwab, aan de beurt is. De Amerikaan, die verleden jaar als eerste niet-Japanner een toernooititel veroverde in de eredivisie, moet het opnemen tegen Ochtendrood, oftewel Asahifuji, ook een wereldtopper. Konishiki maakt er een echte komedie van. Zijn grappen en grollen tegenover zijn opponent doen het publiek schateren, maar ten slotte duwt Asahifuji hem simpel uit de ring.

Hartkwaal

Geen probleem, want het gala van Sendai gaat om des keizers baard. Konishiki neemt de zaken pas serieus in de reeks grote toernooien, met het grote geld. Hoeveel een ster in deze Japanse sport precies verdient, weet bijna niemand. Insiders zeggen dat het basissalaris niet hoog is, maar dat de sponsorgelden voor een uiterst aantrekkelijke aanvulling zorgen. Konishiki is vast wel binnen. Of hij later van die miljoenen zal genieten is echter nog de vraag. Een worstelaar die er na zijn dertigste niet in slaagt meteen drastisch af te vallen krijgt suikerziekte of een hartkwaal en overlijdt gewoonlijk op jonge leeftijd.

    • Guido de Vriessendai