Festival Oude Muziek prikkelde tot discussie over dramatieken esthetiek; Rekkelijken en preciezen in de muziek

UTRECHT, 3 sept. Er zijn vele soorten Georg Friedrich Handels: de Italiaanse met en de Engelse zonder umlaut, de geniale, de luie, in succes-formules vervallende. Ze waren allen te horen in het negende Festival Oude Muziek, dat gisteravond werd afgesloten met een concertante uitvoering van Glucks opera Orfeo ed Euridice. Een symbolischer slotconcert was nauwelijks denkbaar. Want juist met deze opera is het Handel-tijdperk voorgoed voorbij. Gluck bracht beweging in de vastgeroeste patronen van zijn voorgangers. Het moest natuurlijker en dramatischer. Handel werd nog ernstig gehinderd door taaie, te lange en van toeval aan elkaar hangende libretto's.

Dat de organisatie toch Handel dit jaar tot festival-componist uitriep was moedig, en de poging van programmeur Jan Nuchelmans om meester-klavecinist Gustav Leonhardt ervan te overtuigen dat Handel niet per se in de schaduw van Bach hoefde te staan, leek zelfs een daad van overmoed. Zeker door dat te willen doen met concertante uitvoeringen van drie opera's van Handel. Het is Nuchelmans niet helemaal gelukt. Dat lag echter niet alleen aan Handel, maar ook aan de uitvoerders en hun visie op de componist. De meeste Handel-concerten hadden last van bedeesdheid. Kleine orkesten die met veel subtiliteit details in de muziek probeerden te benadrukken. Heldere, lieve stemmen die met weinig vibrato, strakke en onaantastbare lijnen zongen veel te mooi, en mij dunkt dat ze in de vroege achttiende eeuw niet gek waren en over meer theatraal gevoel beschikten dan Emma Kirkby, Barbara Schlick, David Cordier en al die anderen ons wilden doen geloven. Dat ze van een ruimere orkestklank hielden dan de Freiburgers, Musica Antiqua Koln of La Stagione Frankfurt lieten horen. En als het niet zo is, dan zijn wij daaraan, na Mozart, Verdi en Wagner, in ieder geval gewend. De enige die dat begreep was Marc Minkowsky, leider van Les Musiciens du Louvre, die gewoon grote operastemmen gebruikte wat weer tot flinke discussies leidde tussen de rekkelijken en de preciezen. Ton Koopman overtuigde met zijn Amsterdam Baroque Orchestra in het Oratorium per la Risurrenzione om een andere reden. Met zijn enthousiaste wildemanskunsten als dirigent achter het klavecimbel, weet hij ook een minder geniaal werk spannend te houden.

Het Freiburger Barockorchester, dat de eer had zowel openings- als slotconcert te mogen verzorgen, herstelde zich van de tamme Handel van vorige week, met een flitsende Gluck. Mooie schetterende hoorns aan de poorten van de hel, een kleurrijk gebruik van het oude instrumentarium, zorgvuldig gekozen afwisseling in de tempi. Alleen de tussengevoegde delen van Mozart, Handel en Haydn (een hele symfonie!) ter vervanging van Glucks balletten waren, hoe verantwoord misschien ook, nergens voor nodig. Dirigent Thomas Hengelbrock had het geluk over Michael Chance te beschikken, de enige countertenor in de oude muziek die niet gehinderd wordt door de veeleisende techniek van zijn stemsoort. Het trieste recitatief van Orfeo na de dood van zijn geliefde Euridice lijkt Chance bijna huilend te zingen. Toch ging ook in deze uitvoering esthetiek ten koste van de dramatiek. Wat mij betreft had het Festival Hartmut Haenchen mogen uitnodigen. Hij zette vorig jaar met zijn Kammerorchester C. Ph. E. Bach de Orfeo op cd (Capriccio). Toegegeven: stalen snaren op de violen, geen cornetto, en moderne blazers. Maar wel met dramatiek en met Jochen Kowalski als een counter die zonder meer kan concurreren met Chance.

Bespiegeling

Het thema 'verhalen op muziek' kreeg in het laatste weekeinde een fraai slot met onder meer The Boston Camerata, die een middeleeuwse uitvoering van Tristan en Isolde bij elkaar scharrelde uit diverse oude bronnen. Na Benjamin 'Beowulf' Bagby voor het eerst weer een echte vertelling. Andrea von Ramm bewees wat vertelkunst is: vanaf de kansel leidde zij de musici van de Boston Camerata van 'aria' naar 'aria' en gaf de handeling vaart. Hildegard von Bingens Ordo Virtutum, uitgevoerd door Sequentia Koln, was pure bespiegeling: simpele eenstemmigheid, een enkele keer onderbroken door een glasheldere samenklank, en af en toe sober begeleid op een harp of met een ruisende toon van een draailier. Sprekende eenvoud. Bariton Max van Egmond en fortepianist Jos van Immerseel gaven een fraaie interpretatie van Schuberts Winterreise. De zangerige fortepiano leverde het bewijs van de zin van dit festival. Een Steinway, hoe mooi ook, is niet zaligmakend.

Met rond de zestigduizend bezoekers, was het Festival dit jaar iets minder druk bezocht dan vorig jaar. Volgend jaar bestaat het Festival tien jaar. Er zal dan geen festival-componist zijn, dus ook geen Mozart, wiens 200ste sterfjaar in 1991 wordt herdacht. Wel een instrument: de viola da gamba. Het verhalen-thema krijgt een vervolg misschien kan men de boventitelings-apparatuur van de opera lenen, zodat die oude talen ook een beetje te volgen zijn. Verder vijftiende- en zestiende-eeuwse muziek uit Engeland, en historische dans. De organisatie trakteert zichzelf in verband met haar tiende verjaardag op 'greatest hits', nachtconcerten en boottochten naar plaatsen buiten Utrecht en het publiek mag vooraf verzoeknummers indienen, ook als het festivalbestuur daar (bijvoorbeeld om redenen van authenticiteit) weinig voor voelt. Laten we nu vast met zijn allen afspreken dat we iets lekker moderns uitzoeken.