De PvdA grijpt terug op politiek van accommodatie

De regeringsdeelname van de Pvda blijkt geen remedie tegen de identiteitscrisis van deze partij. De aanpassingspolitiek van Kok aan het CDA begint zich af te tekenen. Optimisten, Kok en Woltgens voorop, zien deze 'accommodatie' als een investering die uiteindelijk zal voeren naar herstel van vertrouwen in de PvdA als natuurlijke regeringspartij. Pessimisten, vooral te vinden aan de basis van de PvdA en onder intellectuelen, kritiseren de consensus-politiek en daarmee is het dilemma geschetst. De geloofwaardigheid van de PvdA voor het CDA is onverenigbaar met die voor de partijbasis. Wanneer het CDA voldaan is, zoals nu, heerst er onrust in de PvdA- gewesten. Deel een in een serie van twee artikelen.

I s de regeringsdeelname van de PvdA een voortzetting van haar identiteits crisis met andere middelen? Er is weinig staatkundige fantasie voor nodig om deze vraag bevestigend te beantwoorden. De sociaal-democraten waren de grote verliezers bij de algemene verkiezingen van 1989 en bij de gemeenteraadsverkiezingen van 1990, in het eerste geval nog in gezelschap van de VVD, in het tweede als enige zwaargewonde partij. Ze worden geconfronteerd met ledenverlies, een terugval in de populariteitspeilingen, een vergrijzing in de actieve aanhang en een afnemende reputatie van hun bestuurders, vroeger wel gehaat als regenten, maar tegenwoordig vrolijk genegeerd als 'bobo's'. Ze selecteren bewindspersonen die zich niet in bestuurlijke competentie onderscheiden of in beleidsrichting profileren ten opzichte van hun ambtsvoorgangers of christen-democratische collega's, zodat ze zich van lieverlee vertwijfeld afvragen of er wel verschil is tussen het no nonsense van centrum-rechts en de sociale vernieuwing van centrum-links. Ze hebben een leiding die de spontane kritiek wegdrukt en de zelfkritiek halfslachtig organiseert.

Een voorbeeld van het eerste is de zachte dood van het blad Voorwaarts, een voorbeeld van het tweede is de slappe afhandeling van de rapportage over de drieslag interne organisatie (Politiek a la carte), ideologie (Schuivende panelen) en partijpolitieke strategie (Bewogen beweging). En ze verkondigen, al geruime tijd, een politieke visie die sterk is in de afleiding van uitzichtloze dilemma's, maar zwak in de vaststelling van uitdagende doeleinden.

Buiten het vergadercircuit van de PvdA en de wereld van de politico logische coalitietheorie, zullen er maar weinig Nederlanders zijn die niet alleen wensen maar ook heus geloven dat de huidige sociaal-democratie de eerst aangewezen stroming is om de belangrijkste binnenlandse problemen aan te pakken, van milieubescherming, werkloosheid, strijd tegen de misdaad en gelijkberechtiging van man en vrouw, tot wapenbeheersing.

Het is tevens onzeker of de PvdA-bestuurders opgewassen zijn tegen de ambitieuze taak die door hun illustere partijgenoot Jan Tinbergen is gesteld, namelijk de deelname aan een vijffrontenoorlog tegen onveiligheid, overbevolking, armoede, en energie- en milieuschaarste op wereldschaal. De dynamiek van de 'tocht naar het onbekende', De Kadts term voor politieke cultuurschepping, heeft plaatsgemaakt voor een verkrampt vasthouden aan het bekende, dat wil zeggen, de verworven materiele rechten van de geemancipeerde arbeider.

Dit resulteert in een behoudzuchtig en nationalistisch materialisme, dat de PvdA enerzijds serieus moet nemen omwille van electorale steun op korte termijn, maar anderzijds moet overwinnen omwille van principiele integriteit, politieke effectiviteit en wellicht ook electorale ondersteuning op lange termijn.

De hier geschetste identiteits- en geloofwaardigheidscrisis der sociaal- democraten sleept al jaren, en niet alleen in Nederland. Nieuw is echter dat de verwachting van sommigen dat regeringsdeelname een instant-remedie zou zijn niet uitkomt. De kern van de huidige discussie over de PvdA in weekbladen als Elsevier en De Tijd betreft dan ook de vraag of zij het politieke ondernemerschap opbrengt om op middellange termijn uit de malaise te geraken. Hier staan pessimisten en optimisten tegenover elkaar.

De teneur van het politieke commentaar op de positie van de PvdA is onversneden pessimistisch. In het tijdschrift Socialisme en Democratie vat het Kamerlid Melkert de interne bezwaren van Meijer, Rottenberg, Scheffer en Van Otterloo (de Haagse ex-wethouder) samen in de vorm van 'tien plagen': de medeverantwoordelijkheid voor beleid waartegen men jarenlang heeft storm gelopen (bezuiniging, lastenverlichting); het gemis van werkelijke identificatie met de coalitie van Lubbers en Kok; de onvriendelijke presentatie van politieke prioriteiten (de PvdA als PvdO, 'Partij van de Offers'); de gelijkschakeling van het eigen, veelvormige electoraat tot een alliantie voor 'de sociaal zwakkeren'; de verstarring van het leiderschap in het kabinet, de Tweede-Kamerfractie en het bestuur (slechts belang stellend in continuiteit van interne steun); het gebrek aan harmonie tussen landelijke en lokale partijpolitiek; het ontbreken van kwaliteitsmaatstaven in de selectie van volksvertegenwoordigers; de beslotenheid van de partijcultuur; de wisselvallige houding ten aanzien van de zin van intern en intellectueel debat, en de uitholling van de partijdemocratie.

Een steekproef uit recente beschouwingen in het tijdschrift Intermedi air levert een niet minder droefgeestige uitkomst op. Bart Tromp ziet in de formatie van het kabinet-Lubbers III een restauratie van het bestel van de jaren vijftig, in het volle besef dat restauratie onder linkse progressieven nog altijd een negatieve klank heeft en hetzelfde geldt voor het beeld van de naoorlogse tijd.

De historicus Van Zanden vreest een linkse politieke conjunctuurcyclus, met in de eerste twee jaren leuke dingen (koppeling van uitkeringen aan lonen, actief arbeidsmarktbeleid) en in de laatste twee jaren nare dingen als inflatiebestrijding: 'Volgens deze theorie zal de PvdA de verkiezingen in 1993 dus gaan verliezen'. Redacteur Wansink meent dat de PvdA zich te veel richt op de oplossing van het vraagstuk van de onderklasse, er niet in slaagt een morele mobilisatie op gang te brengen over publieke zaken als milieuverbetering en misdaadbestrijding, en geen benul heeft van het veelvoud van moderne tegenstellingen tussen groepen buiten het conflict arbeid-kapitaal om. Hij onderschrijft ook de kritiek op de sociaal-democratische stijl: 'De PvdA is arrogant, regentesk, luistert niet naar de kiezers, recruteert haar bestuurders uit het gesloten circuit van de vergadertijgers, stoot jong talent af, is bangelijk, onzeker en raakt volledig van slag bij in het openbaar geleverde kritiek'. De politicoloog Van Baar besluit een beschrijving van het vernieuwende werk van de Wiardi Beckman Stichting (WBS), de sociaal-democratische denktank, met slecht nieuws: 'Wanneer de mist eenmaal is opgetrokken en de vernieuwing haar voltooiing nadert, zou de PvdA wel eens een stuk kleiner en bezadigder kunnen zijn dan zij nu al is. Nog een paar jaar wachten, en de meest uitgeslapen sociaal-democraten zijn definitief in keurige burgers veranderd'. En Joop van den Berg, oud-directeur van de WBS en thans hoogleraar politicologie te Leiden, typeert de evolutie van het Nederlands socialisme als een moeizaam proces van ontkerkelijking: de tijd van het socialisme als vervangende religie en verzuilende associatie is voorbij en komt nooit meer terug. Van den Berg beschouwt dit als een positief te waarderen feit, maar ook zijn beschouwing eindigt somber met de slotsom dat de PvdA gewikkeld is in een pijnlijke herziening van standpunten ('agonizing reappraisal') en dat de nieuwe standpunten nog allerminst helder en vast zijn.

Maar zijn de vooruitzichten voor het vaderlandse democratisch-so cialisme echt zo grauw, nu de conservatieve liberalen van Bolkestein voor jaren zijn uitgeschakeld en de progressieve liberalen van Van Mierlo proteststemmen vergaren zolang zij in de oppositie zijn? De optimisten komen, met Kok en Woltgens voorop, met een standaardreactie. Ik maak deze reactie wat explicieter door haar in de vorm van drie afzonderlijke argumenten te gieten.

In de eerste plaats is er het argument van de politieke slingerbeweging tussen collectivisme en individualisme. Men wijst dan op de internationale tendentie van verzwakking van Nieuw Rechts. Het streven naar terugtreding van de staat en vermindering van de overheidsuitgaven is in vele landen vastgelopen op verzet van georganiseerde belangen of op massieve impopulariteit of heeft, waar het wel effectief was, geleid tot verstoringen van de maatschappelijke orde, zoals armoede, langdurige werkloosheid en onderinvestering bij de overheid.

Een afgetekende meerderheid van de kiezers heeft genoeg van het romantische neoliberalisme uit de jaren tachtig, wil daadwerkelijk betalen voor collectieve voorzieningen (scholing, openbaar vervoer) en welzijnsrechten, en brengt de sociaal-democratie opnieuw aan de macht om het sociale evenwicht te herstellen. Et voila: de kerende kansen voor Labour, de SDP en ook de PvdA, ja zelfs het naderende herstel van de sociaal-democratische consensus.

Dat is, in de woorden van de Duitse socioloog Dahrendorf, de midden-twintigste-eeuwse overeenstemming over het nut van een welwillende centrale overheid, getemperd door corporatisme (politieke macht van het georganiseerde bedrijfsleven); een gedirigeerde markteconomie, ingebed in een wereldmarkt en monetaire afspraken; en een omvattende solidariteit via sociale grondrechten en progressieve belastingen, op basis van het liberale beginsel van gelijke kansen.

Ik vind dit argument ronduit zwak. De eerbiedwaardige aanhangers van deze cyclustheorie (Hirschman, Dunn, Schlesinger jr. en, bij ons, Den Uyl) hebben niet duidelijk kunnen maken wanneer, waarom en hoe deze links-rechtscyclus zich voltrekt. Welke soorten ondernemers, vakbondsleiders, politici en bureaucraten vinden elkaar in een nieuw sociaal-politiek compromis? Welke sociale schokken maken dat de middengroepen, om wier strategische houding het allemaal draait, ineens meer cooperatief en geengageerd worden, of beter geinformeerd over de netto-voordelen van een verzorgingsstaat, of meer altruistisch, of toekomstgerichter? Er zit een portie wensdenken in deze theorie. Ten eerste is een ruk naar een conservatief midden als deel van een proces van beleidsconvergentie en ont-ideologisering even waarschijnlijk als een ruk naar links, niet het minst omdat vele sociaal-democratische politici de kritiek van Nieuw Rechts op de falende overheidsinterventie hebben overgenomen en het beleid van Reagan en Thatcher op onderdelen zelfs imiteren.

Ten tweede is het herstel van de sociaal-democratische consensus even onzeker en instabiel als de veel besproken keuze van de nieuwe Oosteuropese machthebbers voor een sociale markteconomie. Dezelfde Dahrendorf heeft erop gewezen dat de samenstelling van de nieuwe sociaal-democratische coalitie onbepaald is (inactieven en de laagst betaalde ambtenaren en werknemers samen met moreel bewogen rijken?) en dat vele jongeren aangetrokken blijven worden door de opties van zelfverrijking ('yuppie') of uittreding uit het systeem ('drop-out'). De Nieuw-Zeelandse econoom David Thomsom betwijfelt in dit kader of de welvaartsgeneratie, die sedert 1945 op de eerste rij zat voor de huursubsidie, de kinderbijslag en de studiebeurs, die in de jaren zeventig/tachtig soortgelijke politieke baten ontnam aan de jeugd, en die thans op grond van haar kiezersmacht de voorzieningen voor bejaarden beschermt, nog lang mag rekenen op de bereidheid van de huidige werkenden om, in de kracht van hun leven en juist ontsnapt aan werkloosheid, de ouderdomspensioenen te bekostigen.

Ten derde is het determinisme van een nieuwe sociaal-democratische 'tijdgeest' niet te rijmen met de wankelmoedigheid van de bewindspersonen van de PvdA in hun eerste drie kwartalen. De ervaring met de energiepolitiek van het kabinet-Den Uyl heeft bijvoorbeeld geleerd dat juist de sociaal-democraten kunnen profiteren van een politiek van crisisbeheersing, soberheid en gelijke verdeling van nieuwe schaarste. Toch durven Alders en de zijnen het niet aan om de milieucrisis tegen te gaan met een hard krimpbeleid ten koste van de consumptie van de werknemers.

En dan is er het argument van de 'noodzaak van links leergedrag'. Men wijst in het algemeen op de neiging van links om, wanneer het dichtbij de uitvoerende macht is of deze zojuist heeft veroverd, zich over te geven aan een heldhaftig en militant radicalisme. Dat is een combinatie van de opeenstapeling van utopische eisen, het wekken van hoge verwachtingen, de orientatie op het heden, de harde confrontatie met het bedrijfsleven, de overschatting van de macht van de eigen volkspartij, de ongezouten kritiek op de eigen vertegenwoordigers, de openlijke vleugelstrijd over de juiste koers en het kan niet op een vleugje masochisme en zelfhaat.

Men wijst in het bijzonder op wat het traumatische onvermogen van Den Uyl mag worden genoemd. Onder zijn leiderschap gold het primaat van de partijpolitiek. Ministers, Kamerleden, partijbestuurders en kaderleden joegen elkaar op en namen elkaar de maat waar het de programmatische zuiverheid en snelheid betrof. De druk uit de basis verkleinde elke speelruimte van Den Uyl voor concessies aan de coalitiepartner, economisch realisme of politiek ondernemerschap.

Het gevolg van links-radicale polarisatie en Den Uyls onvermogen om de kwaadaardige ingredienten ervan, zoals Max van den Bergs getuigenis- en nederlaagstrategie, eruit te halen was niet zo zeer stemmenverlies alswel de onmogelijkheid om de electorale kracht om te zetten in regeringsdeelname. Daar kwam nog bij dat Lubbers een alleenheerschappij vestigde en het afscheid van de confessionele hegemonie tot onbepaalde tijd wist uit te stellen, hetgeen geheel inging tegen de voorspelling van (nieuw)linkse tactici.

De aanpassingspolitiek van Kok en de zijnen begint zich intussen af te tekenen. Op kabinetsniveau zijn het conflictmodel en het vertoon van dogma's ingeruild voor de bereidheid tot overleg en de gerichtheid op resultaten. Op partijniveau is het 'bijpraten' met de actieve leden over de harde economische werkelijkheid (aldus burgemeester Pepers oordeel over de functie van Schuivende panelen) overgegaan in de brave instemming met realistische maatregelen.

Men heeft bijvoorbeeld geen idee wat Ritzens bezuiniging op de studiebeurzen te maken heeft met gelijkheid van kansen of toegankelijkheid van hoger onderwijs, maar laat zoiets passeren met het vage gevoel dat krimpbeleid kennelijk moet en vast wel ergens goed voor is. Men streeft voor alles naar eenheid binnen de partij en goede betrekkingen met het CDA. Openlijke confrontaties worden gemeden, zelfs wanneer men kan rekenen op sympathie in de publieke opinie en een virtuele Kamermeerderheid (gelijke behandeling, zondagsreclame). En de achterban, met inbegrip van de vakbeweging, wordt uitgenodigd om niet te veel tegelijk te willen.

Het andere beleid wordt bij stukjes en beetjes bedacht en uitgevoerd, binnen de spreekwoordelijk geworden 'smalle marges'. Het optimisme schuilt in de gedachte dat deze aanpassingspolitiek een vorm van wachten en investeren is die uiteindelijk voert naar herstel van vertrouwen in de PvdA als natuurlijke regeringspartij, afbraak van christen-democratisch overwicht en een sociaal-democratisch premierschap vanaf 1993. Het is niet zo'n gek idee om in de terugval op de traditie van accommodatie een links leerproces te zien. Inderdaad klinkt in de kritiek en distantie van de pers en de intelligentsia ten aanzien van het zittende kabinet een rituele kortademigheid door die het zicht ontneemt op wat hier werkelijk gaande is. De kracht van het idee is namelijk dat het twee zaken begrijpelijker maakt. Het laat zien dat Kok balanceert omdat hij in zijn dubbelfunctie van politieke leider en nationale penningmeester niet meer kan dan balanceren.

Met de ene hand schaft hij de beursbelasting af en legt hij een strenge begrotingsdiscipline op. Met de andere hand houdt hij aan de verbetering van de koopkracht der uitkeringsgerechtigden vast, verhaalt hij de kosten van de Wet Investeringsrekening op de ondernemers (de fiscusvervuiler betaalt) en probeert hij de nadelige gevolgen van de Oort-hervorming voor alleenstaanden en bejaarden met een klein pensioen weg te nemen. En met beide handen grijpt hij elke kans aan om de taak van welwillende moderator samen met Lubbers te vervullen, diens fictie van de vrome brille te neutraliseren met de fictie van eerlijke degelijkheid, en aan het doffe streven naar elementaire solidariteit 'van onze centen' de glans van Drees en Lieftinck te geven.

Het argument van links leergedrag maakt tevens duidelijk waarom de huidige rust van het Binnenhof en saaiheid van links niet noodzakelijkerwijs verband hoeven te houden met beleidsconsensus tussen CDA en PvdA, een inkapselingstactiek van Lubbers, het vakbondsverleden van Kok of bepaalde karaktereigenschappen van de man en de door hem uitgezochte bestuurders.

De gematigde opstelling van de socialisten bij de opstelling en uitvoering van het regeerakkoord '89 is het beste strategische antwoord op links radicalisme en is tevens de les die getrokken is uit de woestijnperiode in Den Uyls politieke leven tussen 1977 en 1987, een tijdvak dat vrijwel samenvalt met Lubbers' staat van genade.

Maar de zwakte van het argument is eveneens tweeledig. Ten eerste brengt het Kok, Sint en Woltgens in de verleiding 'door te schieten'. Men laat het initiatief geheel aan het CDA, in de hoop dat ditmaal de Brinkmannen en Hirsch Ballins verstrikt raken in triomfalisme en basisme (de droom van een opleving van de confessionele basis zonder bovenbouw van decreten, koepels en subsidies). Men poogt zelfs haar temperende rol over te nemen, bijvoorbeeld door de radicale opzet van de afschaffing van subsidies (het Terpstra-idee) te beknorren. Men verwaarloost de protest- en strijdtraditie van links en neemt alleen voor de vorm deel aan het hernieuwde debat over de totstandkoming van een progressieve beweging met D66 en, eventueel, de VVD. Met andere woorden: men is zo bezorgd over de vergroting van toekomstige onderhandelingsmacht, dat men vergeet de huidige onderhandelingsmacht af en toe te gebruiken ten behoeve van het vaste electoraat, of wat daarvan over is.

Ten tweede stuit men op een dilemma. Het leerproces is alleen succesvol als de achterban in alle openbaarheid wordt overtuigd van de zin van gedisciplineerd politiek handelen, maar dezelfde openbaarheid maakt dat het CDA provocerender en wantrouwender wordt zodra de strategische dimensie van Koks ingetogenheid en volgzaamheid op straat ligt. Met andere woorden: de geloofwaardigheid in de ogen van de coalitiepartner is onverenigbaar met die in de ogen van de partijbasis.

Wanneer het CDA voldaan is, zoals nu, heerst er onrust in de PvdA-gewesten. Maar wanneer deze gewesten tevreden zouden worden gesteld met flinke plannenmakerij op de wijze van staatssecretaris Simons, dan zou het CDA op zijn beurt geirriteerd raken. Een socialistische overname van het confessionele centrum op korte termijn? Onzin. Een vriendelijke of stille overname? Onzin op stelten.

In de derde plaats is er het argument van de verdedigbaarheid van de sociale vernieuwing als nieuwe filosofie van het openbaar bestuur. In eerste aanleg is sociale vernieuwing slechts de lege term voor een compromis tussen CDA en PvdA over het samenhangend welzijnsbeleid voor achtergestelde groepen.

Dit compromis bestaat in (1) de erkenning van de noodzaak van een sociale politiek ter integratie van groepen als de langdurig werklozen in de maatschappelijke orde, waaronder de arbeidsorde, (2) de omschrijving van de normatieve levensstandaard van zulke groepen als een op individuen afgestemde combinatie van werkgelegenheid, scholing, inkomen, huisvesting en medische zorg, (3) de koppeling van bepaalde welzijnsrechten aan bepaalde plichten als de scholingsplicht, (4) de uitvoering van het beleid door 37 relatief autonome gemeenten alsmede corporatistische instellingen als het Centrale Bestuur Arbeidsvoorziening en (5) de aanzienlijke financiele inspanning van het Rijk (meer dan anderhalf miljard guldens). In tweede instantie streeft men naar de opwaardering van de sociale vernieuwing als ideologische conceptie. Zo neemt de socioloog Adriaansens zich in zijn Utrechtse Diesrede voor om 'naar diepere lagen te graven'.

Vrij dicht onder de oppervlakte van mevrouw Dales en haar ministerie klinkt al zijn eureka-kreet. We moeten de sociale vernieuwing leren zien als een aanpassing van de verzorgingsstaat, een politieke herwaardering van de betaalde arbeid en een worp van de drie plechtankers arbeid, welzijn en beleid.

De historicus Johan Wijne heeft de sociale-vernieuwingsroes die zich inmiddels van menig PvdA-wethouder en PvdA-beleidsambtenaar heeft meestergemaakt vergeleken met de roes naar aanleiding van het Plan van de Arbeid. Het gaat kennelijk om meer dan alleen wat geld uit Den Haag en enige bestuurlijke armslag. De heilsverwachting is dat met de sociale vernieuwing niet alleen de etnische minderheden maar ook de PvdA-ers zelve uit de goot zullen komen.

De banale inhoud van het gelegenheidsbetoog van Adriaansens geeft de zwakte van dit argument reeds aan. De belangrijkste aspecten van de sociale vernieuwing zijn eerder machtspolitiek dan ideologisch van aard. De christen-democraten geven toe aan de druk van kerken en vakbonden om hun ondernemersvriendelijke herstelbeleid een met succes geprolongeerd aanbod, economische uitvinding uit 1982 te corrigeren, uiteraard met een accent op het aandeel van maatschappelijke organisaties, niet van gemeenten.

De sociaal-democraten zien in dat een straffe planning van de departementen uit geen enkele kans van slagen meer heeft. En beide groepen beroepspolitici doen alsof ze willen decentraliseren, aangezien regionale krachten nu eenmaal onstuitbaar zijn geworden in Europa, om daarop de delegatie van macht zo lang mogelijk uit te stellen. Ze introduceren een vormloze term, die enerzijds aangeeft dat het beleid in hoge mate een praktisch, a-principieel en uitvoerend karakter zal dragen en anderzijds ruimte schept voor de onmisbaar geworden expertise en bureaucratische dieventaal. En ze zien met lede ogen aan hoe vlotjes de goede bedoelingen van coordinerende ministers (werkgarantieplan, banenpool, individueel traject voor elke werkloze) kunnen vastlopen op het gebrek aan medewerking van georganiseerde werkgevers, georganiseerde werknemers of een tijdelijk verbond tussen deze twee.

Kortom: de sociale vernieuwing is nieuw noch bestuursfilosofisch. Het is onzinnig de revitalisering van de PvdA te verbinden aan het voortmodderen van een even sympathiek als kwetsbaar project.