Cellen van politiebureau Warmoesstraat zijn kaal en donker; Junks, dieven en dronkaards

'Hoe heet je?' De arrestant heft zijn armen omhoog. Druk gebarend probeert hij de agent in het Frans te overtuigen dat hij de portemonnee niet heeft gestolen, maar gevonden. 'Ik zal doodvallen, ik vind nooit iets', mompelt de agent terwijl hij briefjes van honderd en vijftig gulden door zijn vingers laat glijden. 'Pourquoi moi, pourquoi moi', schreeuwt de jongen. Hij slaat zijn vuisten bijna kapot op de deur de agent kijkt gelaten toe. Even later wordt de deur geopend en nemen twee agenten hem mee. 'Ik weet je te vinden, ik heb je auto-nummer', roept hij op weg naar zijn cel tegen een agente. Haar collega maakt een gebaar alsof hij hem wil schoppen. Hardhandig wordt de jongen de trap opgeduwd.

Vrijdagnacht op het politiebureau Warmoesstraat. 'Vroeger was het afwisselender, toen hadden we de Jordaan er nog bij en de Spaarndammerbuurt. Regelmatig echtelijke twisten en soms een lijk. Nu hebben we bijna alleen nog maar te maken met junks, dieven en dronkaards', zegt hoofdagent B. Roolink en hij wijst naar het bord waarop achter de namen van de arrestanten de wetsartikelen 311 (diefstal), 312 (diefstal met geweld) of een 2 (overtreding opiumwet) staan vermeld. Voor sommige namen staat een V van verslaafd.

Het politiebureau telt dertien cellen, drie dronkemanscellen en twee dagverblijven. In haar recent verschenen jaarverslag over 1989 constateerde de Commissie van toezicht voor de Amsterdamse politiecellen dat de situatie op onder meer het bureau Warmoesstraat te wensen overliet. De voorzitter van de commissie, de Amsterdamse hoogleraar criminologie prof. dr. E. Lissenberg, sprak bij de verschijning van het jaarverslag zelfs van 'mensonterende toestanden.' Daglicht komt nauwelijks binnen. De bedden zijn van steen. 's Nachts krijgen de arrestanten een matras, een papieren laken en een deken. Overdag worden deze attributen niet verstrekt. Een klein houten vierkanten tafeltje en een dito krukje zijn in de stenen vloer verankerd. Uit de muur steekt een metalen toilet. Er is geen kraan.

Volgens het jaarverslag van de commissie zou het aanbrengen van 'waterpunten' te duur zijn. Roolink en zijn collega P. Houweling hebben een andere verklaring: zonder kraan kan een arrestant zijn cel tenminste niet onder water zetten. En hoofdcommissaris R. Nordholt wees er recentelijk op dat kranen in een cel 'door creativiteit van de gevangenen' geen lang leven zouden hebben. Via een bel naast de celdeur kan een arrestant om water vragen.

In de twee dagverblijven staat een smalle lange bank tegen de muur. Daar verblijven, anders dan in de cellen, meer arrestanten tegelijk. Roolink: 'Meestal mensen van wie we snel dingen kunnen natrekken, het is niet de bedoeling zat ze er uren zitten.'

De dronkemanscellen zijn volstrekt kaal. Degenen die hier verblijven slapen hun roes op een stenen vloer uit. Ze krijgen geen matras, lakens en deken. 'Die worden anders maar ondergekotst', legt een brigadier uit.

De douche wordt zelden gebruikt niet in de laatste plaats omdat een keer douchen te weinig zou zijn om een arrestant helemaal schoon te krijgen, aldus een agent. 'We hebben hier een douche, moet jij eens uitrekenen hoe lang het 's ochtends duurt voordat ze er allemaal onder hebben gestaan', zegt hij. Om de arrestanten toch fris te laten ruiken wordt gebruik gemaakt van de 'groepsverwenner': een fles eau de cologne.

Het is rustig, vrijdagnacht. De Zeedijk is om een uur bijna uitgestorven. Het Zeedijkteam, agenten in burger die achter dealers aan zitten hebben net een vangst gedaan: 13,5 gram zuivere heroine en cocaine is in beslag genomen. 'Zo iets gaat als een lopend vuurtje door de buurt, dan houden ze zich een tijdje gedeisd', zegt Roolink terwijl hij rechtsomkeert maakt, richting rosse buurt.

Behalve het Zeedijkteam is er een berovingsteam, agenten in burger die het gemunt hebben op zakkenrollers. Zij doen hun werk lopend, per fiets of bromfiets. Met enige regelmaat wordt vrijdagnacht een arrestant, verdacht van diefstal, via de 'artiestentingang' het bureau binnengebracht. Om half vijf zitten er twee jongens die een lid van het berovingsteam met een baksteen probeerden te beroven. Ze ontkennen in alle standen en weigeren hun naam te noemen. 'Waar kom je vandaan', vraagt de agent die de persionalia opneemt. Geen reactie. Hij probeert het nog eens: 'Huis, wonen, leven.'

'Waarom, waarom?', antwoorden ze terug. Na een tijdje noemen ze hun namen toch. Ze moeten de nacht doorbrengen op de bank in het dagverblijf, alle cellen zijn inmiddels bezet. Breed lachend komt een van hen de receptieruimte van het bureau binnenlopen. 'Je moet rechtsaf', zegt een agent, nippend aan zijn koffie. 'Graag', zegt de verdachte. Even later valt de deur van het dagverblijf in het slot. 't Is niet te geloven! Hij is nog steeds bezig', klinkt het verbouwereerd uit de mond van een agent. 'Hij' is om half twee in de dronkemanscel ingesloten. In plaats van zijn roes uit te slapen houdt de man de hele nacht verhandelingen over afwisselend de Joodse Raad, de situatie in het Midden-Oosten, Waldheim, de Russen en het grootkapitaal. Er is al een arts bij hem geweest maar die is onverrichterzake weer vertrokken. Agenten proberen regelmatig de man te kalmeren, wat hen evenwel niet in dank wordt afgenomen. Op het bord wordt achter zijn naam: 'dronken en gek' genoteerd.

De man drukt voortdurend op de bel naast zijn deur. 'Je vriend wil water', zegt een agent tegen brigadier H. van der Wal. 'Zet er een brandslang op', zegt een ander. Zijn stem klinkt melig. 'Nou, nou'.

'Hij wil toch water?' 'Jawel, maar hij heeft niet gezegd hoeveel.' Zaterdagochtend om kwart voor acht wordt de man heengezonden.

    • Anneke Visser