WOUDAAPJE OP GIFBELT

Dit is Holland, laten we ons vooral geen illusies maken. Het natuurschoon is hier geen natuur en ook niet schoon.

De stad ligt middenin het groene hart. Zij is tot groeikern gebombardeerd en als een steenpuist opengebarsten. Aan de buitenkant vindt men de onvermijdelijke recreatieplas en de al even onvermijdelijke chinees-in-pagodestijl. Daartegenover is de ingang van een park met een kinderboerderij, een ooievaarsdorp en geasfalteerde voet- en fietspaden. Kinderen op klimrekken. Wandelaars met hond. Joggers met walkman. Fietsers op mountain-bikes. Knetterende bromfietsen, loeiende auto's, grommende vliegtuigen. En ter bekroning van dit alles bevindt zich hier een van de meest geruchtmakende gifbelten van het land. Hij is ingericht als golfterrein; er staan sportievelingen met x-benen bij de afslag.

Tussen park en golfbaan is een moerasje achtergebleven, een allerliefste warwinkel van water, riet en wilgen. Je loopt er in twintig minuten omheen.

Daar zat nu al voor het zevende achtereenvolgende jaar een woudaapje, een mannetje. Alleen in het tweede jaar is er een vrouwtje bijgeweest, maar tot broeden schijnt het niet te zijn gekomen. Wel is er vaak een tweede mannetje in de buurt. Dat zet echter geen zoden aan de dijk. Twee mannetjes bij elkaar is even zinloos als een in zijn eentje, ze vergroten alleen maar elkaars onrust. Half mei keert de vogel terug uit Afrika. Het is natuurlijk niet gezegd dat het telkens dezelfde is, maar het is ook niet uitgesloten dat dat wel zo is. Dan is hij op zijn minst al zeven keer heen en weer geweest over de Sahara.

Het woudaapje is een reiger ter grootte van een duif. Zoals alles wat in miniatuur wordt uitgevoerd, appelleert hij sterk aan je solidariteitsgevoel.

Z ijn roep klinkt alsof in de verte een hond zit te blaffen en dat moet je letterlijk nemen: ook van dichtbij klinkt het alsof in de verte een hond zit te blaffen. Doorgaans echter is dat geblaf inderdaad van een hond afkomstig. Het woudaapje is ongelooflijk zeldzaam geworden.

Het is een avondvogel, hij houdt van de tere effecten van zonsondergang.

Soms klimt hij langs een rietstengel omhoog, zodat hij zichtbaar wordt. Het kan zelfs gebeuren dat je hem aantreft in de top van een wuivend wilgje. Dan zit hij zich op zijn dooie gemak te poetsen. Zijn lijf vertoont dezelfde bizarre veelvormigheid als dat van een roerdomp. Spreidt hij zijn vleugels, dan zie je roomkleurige, bijna roze vleugelvelden. Zo mooi omdat hij zeldzaam is? Of zo zeldzaam omdat hij mooi is? O p zijn dooie gemak en in zijn dooie eentje. Van mei tot in augustus zit hij te roepen. Onverstoorbaar mengt hij zich met zijn droge kuchje in het verkeerslawaai. En zinloos dus.

Voor de liefhebber is zo'n zeldzaamheid een verrukking. Je kunt een nieuwe soort aankruisen in je vogelgids en daarmee je eigen zeldzaamheid verhogen. Maar denk eens aan die vogel zelf! Voor hem betekent zeldzaamheid eenzaamheid. Hij weet heus wel dat er meer zou moeten zijn.

Bij deze gedachtengang raak je onwillekeurig onder de indruk van de plichtsbetrachting van zo'n dier. Maar daar moet je mee oppassen. Het is een koud kunstje de natuur te beschrijven als een systeem van levende wezens die hun plicht doen. Dan doet zich echter algauw de vraag voor: plicht aan wat, aan wie? Voordat je er erg in hebt kom je via de natuur tot God. Vandaar ook die innige band tussen natuurfilms en de Evangelische Omroep.

Wie niet gelooft en zijn bewondering wil beperken tot het woudaapje zelf, dient op zijn woorden te letten. Tekening: Peter Vos

    • Koos van Zomeren