Palestijnen leiden gifmonster naar Israels achtertuin

Israeliers hebben in het algemeen weinig vertrouwen in Europa, hoewel een aanzienlijk deel van de Israelische bevolking er zijn wortels heeft. Dat geringe vertrouwen heeft niet alleen te maken met het feit dat nog geen halve eeuw geleden juist in Europa eenderde deel van het joodse volk werd uitgemoord, maar ook met de meer recente Midden-Oostenpolitiek van de Europese Gemeenschap.

Het nieuws in Israel biedt soms de vreemdste tegenstellingen. Op een mooie dag in januari van dit jaar meldde de nieuwslezer van de Israelische radio dat het Europees Parlement had besloten de wetenschappelijke betrekkingen met Israel op te schorten wegens de schendingen van de mensenrechten door dat land. Die maatregel is later weer ingetrokken, maar maakte op dat moment een vreemde indruk op de Israelische luisteraar: de nieuwslezer meldde in dezelfde uitzending dat Frankrijk zojuist had besloten opnieuw een grote hoeveelheid wapens te leveren aan Irak. De televisiebeelden van vergaste Koerden hadden in Europa blijkbaar te weinig indruk gemaakt om daar consequenties aan te verbinden.

Europese vredesorganisaties en politici hebben hun kritiek op Israel en hun steun aan PLO-leider Yasser Arafat nimmer afgewisseld met demonstraties tegen wapenleveranties uit hun eigen land aan dictatoriale staten als Irak, Libie en Syrie. De Europarlementariers die in december vorig jaar naar Jeruzalem kwamen voor een demonstratie van de Israelische vredesbeweging 'Vrede Nu', hadden voor een deel in Damascus, Amman, Bagdad en Tripoli moeten staan.

Psychologische ruimte

De crisis in de Golf heeft de kortzichtige Europese visie op het Israelisch-Arabisch conflict hardhandig blootgelegd. Israel liep bij de hele wereld uit de pas, maar die wereld, in euforie over het verdwijnen van de tegenstelling tussen Oost en West, was nog niet wakker voor de botsing met de islam.

Bij het bepalen van een evenwichtiger Europese politiek tegenover het Midden-Oosten zou de vraag moeten worden gesteld of de Israelische bevolking in de omgeving waarin zij leeft wel de psychologische ruimte krijgt om aan de Palestijnen concessies te doen, nodig voor de verwezenlijking van het recht op zelfbeschikking. En vooral of de Westerse landen er voldoende aan meewerken om die psychologische ruimte te scheppen.

Boycots, dreigementen en preken uit Europa's hoofdsteden hebben op de bevolking van Israel een averechts effect; zij doorziet het hypocriete karakter ervan. Uit diezelfde hoofdsteden worden immers de gifgassen, chemicalien en nucleaire kennis geleverd ter vernietiging van 'de helft van Israel', zoals de Iraakse president Saddam Hussein het uitdrukt. De Europese 'vredespolitiek' is in de ogen van vele Israeliers zo langzamerhand een verkapt instrument geworden van degenen die de staat Israel willen vernietigen. De politieke winst van dit alles gaat jammer genoeg naar de rechtse Likudpartij.

Op grond van de relatie tussen de geschiedenis van de joden in Europa en de oprichting van de staat Israel zou mogen worden verwacht, dat uit de Europese Midden-Oostenpolitiek alles wordt verwijderd wat in verband kan worden gebracht met het streven naar vernietiging van Israel. Dat geldt in de eerste plaats voor de bewapening van de Arabische wereld in een tijdvak dat tegen Israel met grote precisie een wapenembargo wordt gehandhaafd. Er zijn andere methoden te bedenken waarmee Europa tegenover Israel een positievere rol zou kunnen spelen.

De in 1975 in de Verenigde Naties aangenomen resolutie, waarin werd gesteld dat zionisme gelijk is aan racisme, is erop gericht het bestaansrecht en daarmee het bestaan van Israel te delegitimeren. De Europese landen zouden veel actiever kunnen werken aan intrekking van die resolutie, om duidelijk te maken dat de rode loper voor Arafat niet werd uitgerold met de bedoeling een eind te maken aan de staat Israel.

De Arabische boycot die bedrijven ervan weerhoudt handel te drijven met Israel, is destijds niet door de Arabische landen ingesteld om het Palestijnse probleem op te lossen, maar heeft als doel Israel met economische middelen te treffen. Slechts enkele landen in Europa (waaronder Nederland) beschikken over een individuele boycotwetgeving die echter lang niet altijd toereikend is. Op Europees niveau bestaat tegen de boycot geen wetgeving. De uitbreiding van economische contacten met de Palestijnen in de bezette gebieden zou hand in hand kunnen gaan met de openlijke weigering mee te doen aan de Arabische boycot door middel van een sluitende wetgeving op Europees niveau.

Illusie

Het Palestijnse vluchtelingenprobleem is na 1948 in stand gehouden, uitgaand van de illusie dat Israel ooit van de kaart zou verdwijnen en de Palestijnen zouden kunnen terugkeren naar hun eerder bewoonde huizen. Aan die illusie moet een einde komen. Wie van mening is dat Israel een bestaansrecht heeft en dat de Palestijnen niet eeuwig in mensonwaardige omstandigheden kunnen blijven leven, moet daar de consequenties aan verbinden. Het probleem van de Palestijnse vluchtelingen kan slechts worden opgelost buiten de Israelische grenzen van voor 1967, ongeacht de vraag of de Palestijnen nu wel of niet een eigen staat krijgen.

De komst van duizenden Russische joden per maand naar Israel opent juist nu voor de Europese landen de mogelijkheid een belangrijke taak te vervullen bij de oplossing van zowel het joodse als het Palestijnse vluchtelingenprobleem. Daartoe kan een drieledig plan dienen, dat voor Palestijnen en voor Israeliers aantrekkelijke kanten heeft: Beeindiging van de vestiging van Israelische nederzettingen op de Westelijke Jordaanoever en Gaza; Steun voor permanente herhuisvesting en werkgelegenheid voor de Palestijnen in hun eigen gebied, te weten Jordanie, de Westelijke Jordaanoever en Gaza; Steun voor de herhuisvesting en werkgelegenheid voor Russische joden in Israel binnen de grenzen van voor 1967. De voorwaarden voor het slagen van een dergelijk plan zijn dat de Likudregering de nederzettingenpolitiek beeindigt en dat de Palestijnen bereid zijn het vluchtelingenprobleem op te lossen in een deel (het overgrote deel) van het oorspronkelijke mandaatgebied Palestina. Het voordeel van zo'n plan is dat het territoriale en demografische feiten schept, die de basis vormen voor een toekomstige politieke regeling tussen de Palestijnen en Israel.

Die politieke regeling lijkt door de Golf-crisis verder naar de toekomst verschoven dan ooit tevoren. De PLO en de Palestijnen staan, tot teleurstelling van vele Israelische 'duiven', achter Saddam Hussein. In Israel is niet vergeten dat zij in de jaren veertig aan de kant van Hitler stonden.

Palestijnse leiders hebben in de geschiedenis vrijwel altijd de verkeerde kant gekozen en daarvan niet de gevolgen willen dragen. De consequenties van de Palestijnse houding tijdens de Golf-crisis dienen zich nu al aan en werken vooral in het eigen nadeel; ook veel progressief denkende Israeliers die de Palestijnen de afgelopen jaren hebben gesteund, zijn met een schok tot de conclusie gekomen, dat de Palestijnse houding de grens met het Iraakse gifmonster in feite naar hun achtertuin verplaatst en dat de strategische waarde van de Westelijke Jordaanoever in de praktijk bewezen zou kunnen worden.

De logische conclusie daarvan is dat de veiligheidsgrens van Israel bij de Jordaan zal moeten blijven liggen en dat de Palestijnen voorlopig genoegen zullen moeten nemen met de autonomie zoals vermeld in de akkoorden van Camp David. Pas als in de Arabische wereld radicale veranderingen plaatshebben, vergelijkbaar met de gebeurtenissen van het afgelopen jaar in Oost-Europa, zal een psychologische ruimte ontstaan voor meer.

    • Israelisch Historicus