De achterneef van Jacques de Kadt

Bart Tromp schrijft deze maand in Maatstaf over wijlen Jacques de Kadt. Het behoort tot het fraaiste en interessantste dat mij sinds lange tijd onder ogen is gekomen.

Tromp schetst De Kadt als privepersoon en als politicus-essayist. De particuliere notities over de hoogbejaarde theoreticus zijn zo discreet en fijnzinnig van aard, dat elke samenvatting of parafrase misplaatst zou zijn. De 'briljante en oorspronkelijke essayist' wordt op zijn beurt beschreven als 'de man van prachtige studies over Gorter en Sorel, de man die met grote warmte schreef (en bleef schrijven) over Rosa Luxemburg, de dodelijke spotter met nationale standbeelden als Huizinga en Luns, de voorvechter van de Indonesische onafhankelijkheid, de taster naar een maatschappij die cultuur boven geld stelt'. Dat Tromp, een even produktief als veelzijdig auteur, zelf eveneens niet de eerste de beste is, wisten wij al langer. Met zijn stuk over Jacques de Kadt heeft hij zich echter voorlopig aan de kop genesteld van de eredivisie der vaderlandse essayistiek.

Tromp is, zegt hij, een 'bewonderaar, geen volgeling' van De Kadt. Een bewonderaar/ster is echter per definitie schatplichting aan de man/vrouw die bewonderd wordt. Tromp zal, vermoed ik, geen aanhanger zijn van De Kadts vermaledijde elitedenken. Voor de rest is er meer dat de schrijvers bindt dan scheidt. Zij behoren (respectievelijk behoorden) tot de 'Linke Leute von Rechts' wat hetzelfde is als de 'Rechte Leute von Links'. Het zijn dus typische 'heimatlose Linke', om ons nog even van het Duits, de moedertaal van het socialisme, te blijven bedienen.

Zij weten allebei: de mens, ook de socialistische mens, leve niet bij brood alleen. De Kadt keerde zich tegen de 'maagmens', de biefstuk-socialist die zijn levensbeschouwing voornamelijk ziet als een methode ter verbetering van het voer. Ook Tromp is een beschaafde man, die niet alleen boeken schrijft, maar zelfs boeken leest en bovendien van Verdi en Bruckner houdt. Zijn eerste opera was Aida, op film, met een mimende Sophia Loren in de titelrol en zijn laatste opera was diezelfde Aida, zieltogend op het brandend zand van de sporthal van 's-Hertogenbosch.

De Kadt en Tromp het zijn geboren, door intellectuele woede gevoede, polemisten tegen de menselijke domheid. 'Ik kan alleen maar schrijven als ik boos of geraakt ben', zei Tromp in een vraaggesprek. 'Godverdomme!' knetterde De Kadt achter het avondblad.

Dus zijn (respectievelijk waren) het principiele dwarsliggers, de permanente steenpuist in de nek van het conformistische, fantasieloze, cultuurarme partijkader. Zij posteerden zich aan de zijlijn, gedoemd een marginale rol in de praktische politiek te spelen. De Kadt bracht het slechts tot Kamerlid, Tromp bracht het niet verder dan tot partijbestuurder en partij-ideoloog. Een minister De Kadt was ongetwijfeld reeds de eerste kabinetsvergadering uitgelopen. Een staatssecretaris Tromp is eveneens niet goed voorstelbaar, al denk ik dat hij best had gewild.

Hij is inmiddels kansloos. In de jaren dat hij in het PvdA-partijbestuur opereerde, heeft hij al te velen met zijn ongemakkelijke waarheden lastig gevallen. Bovendien heeft hij verzuimd een pressiegroep te organiseren. De linksen was hij te rechts, de rechtsen was hij te links, de anti-atomisten wisten niet of ze aan hem een medestander of een tegenstander hadden, de Rooie Vrouwen hadden hun eigen favorieten, hetgeen mutatis mutandis eveneens gold voor de Socialistische Flikkers en de Radicaal-Sociaal-democratische Hermafrodieten.

Zonder achterban breng je het niet ver in de moderne arbeidersbeweging. Wat heeft de partij te schaften met Tromps ongetwijfeld 'Intelligente analyses'? Als de handen uit de mouwen moesten worden gestoken (de stencils moesten worden geinkt, het afdelingsblad 'De Rode Klapekster' moest worden bezorgd), was die knaap met geen tien paarden achter zijn bureau vandaan te trekken. 'Het is een ideoloog die mooie stukjes kan schrijven in kranten en tijdschriften', zei een ex-medebestuurder, 'maar voor het praktische werk, voor het besturen, is hij niet geschapen.' Het is een interessante conclusie, vooral tegen de achtergrond van de opmerkingen die Tromp in zijn Maatstaf-stuk maakt over de verhouding tussen Jacques de Kadt en Joop den Uyl. Den Uyl beschouwde De Kadt als zijn leermeester, in theoretische, niet in praktische zin. De Kadt was de PvdA uitgelopen omdat het gebrek aan visie van Nieuw Links hem mishaagde. Den Uyl, eveneens een tegenstander van Nieuw Links, plaatste zich niettemin, met hun steun, aan het hoofd van de partij.

De Kadt was de man van het woord, Den Uyl was primair de man die de daad bij het woord voegde. Hij prees De Kadts 'formuleringsvermogen en inzicht'.

Echter, een 'briljant essayist' is niet vanzelfsprekend een 'succesvol politicus'.

De Kadt had zich 'buiten de hoofdstroom van het socialisme' geplaatst. Daardoor had hij 'iets wanhopigs' gekregen. 'Hij heeft zijn herinneringen niet afgemaakt, hij heeft zijn analyses niet afgemaakt, hij heeft zijn bestaan niet afgemaakt.' Tromp noemt dit een 'huiveringwekkend oordeel'.

Dat is het ook. Is je bestaan als politiek betrokken staatsburger incompleet als je slechts een boekenkast vol politiek-analystische geschriften hebt nagelaten? Heb je dan werkelijk minder voor de beweging betekend dan de partijpiranha's, die zich met welbehagen in de wondere wereld der resoluties en amendementen sub 2b plegen te bewegen? Den Uyls oordeel over De Kadt, concludeert Tromp, berust uiteindelijk op geen ander criterium 'dan het vermogen tot mitmachen'.

Het is de mentaliteit van een partij die haar denkende dwarsliggers nog net niet royeert, maar zich voor de rest, met een beroep op de dynamische wetten van de Realpolitik, absoluut niets van hun ongemakkelijk gemonkel aantrekt. Het weerspiegelt het openlijk dedain van de doeners voor elke vorm van intellectueel dissidentendom, hetgeen mij een zorgwekkend verschijnsel lijkt in een partij die de natuurlijke thuishaven van alle vooruitstrevende intellectuelen zou moeten zijn.

Inderdaad, Tromp is 'een bewonderaar, geen volgeling' van De Kadt. En zijn regelrechte opvolger, of Tromp het leuk vindt of niet. Waarschijnlijk wel.

In 1975 maakt hij, als aankomend partijtheoreticus, kennis met Den Uyl. Het geschiedde in de wandelgangen van een PvdA-congres. 'Ik weet niet of u het erg vindt', zei Den Uyl tegen hem, 'maar uw stukken doen mij vaak aan Jacques de Kadt denken.'

Zonder aarzeling antwoordde Tromp dat hij dit als een compliment beschouwde.

Er waren meer partijgenoten getuige van dit gesprekje en ik weet zeker dat zij meewarig hun langharig beklede hoofd hebben geschud.

    • Martin van Amerongen