Als er oorlog komt heeft Nederland nog voor 6 maand olie

ROTTERDAM, 1 sept. Voor miljarden guldens hebben de Nederlandse regering en de oliemaatschappijen aan voorraden ruwe olie, benzine, dieselolie en andere olieprodukten opgeslagen in grote tanks, voornamelijk in Rotterdam en Amsterdam.

Als de nood aan de man komt, bijvoorbeeld door een oorlog in het Midden-Oosten, kunnen we er een maand of zes mee vooruit: drie maanden op onze strategische voorraden en nog drie maanden op de commerciele voorraden.

Strategische voorraden zijn aangelegd om noodsituaties het hoofd te bieden, waarbij de brandstoffen in de eerste plaats worden aangewend voor vitale onderdelen van de samenleving zoals bijvoorbeeld de krijgsmacht, ambulancevervoer, vervoer van voedsel, bederfelijke waar en olieprodukten, scheepvaart, verwarming in afgelegen woningen waar geen aardgas is en zonodig de elektriciteitsopwekking. Deze crisisbuffer wordt door de consument betaald met een voorraadheffing van 1,2 cent op elke liter benzine en dieselolie. De strategische voorraad is nog nooit gebruikt.

De commerciele voorraden zullen in een crisissituatie door oliemaatschappijen in de eerste plaats worden gebruikt om aan hun leveringscontracten te voldoen.

Van een echte oliecrisis is gelukkig nog geen sprake. Toch kwam het bestuur van het Internationaal Energie Agentschap (IEA) voor de tweede keer sinds de invasie van Saddam Hussein in Koeweit, gisteren in Parijs bijeen om zich te beraden op de aanvoer van olie, de voorraden en het verbruik in de Westerse landen en Japan.

Het IEA, in 1973 opgericht na de eerste oliecrisis, heeft bevoegdheden om eventueel noodmaatregelen af te kondigen wanneer er een groot tekort aan olie zou ontstaan. Die maatregelen kunnen varieren van een vrijwillige of verplichte beperking van het verbruik van brandstoffen tot een verplichte verdeling van de overblijvende olie over de aangesloten landen. Verplichte vermindering van de consumptie kan, zoals in 1973, bereikt worden door autoloze zondagen en benzinedistributie, of door beperking van de maximum-snelheid op autowegen.

Het doel is om die landen zoveel mogelijk te helpen die het meest getroffen worden door een oliecrisis. In de huidige situatie is het vooral Turkije, dat tot begin augustus verreweg het grootste deel van zijn olie voor de binnenlandse consumptie uit Irak betrok.

Ook kan het IEA de aangesloten regeringen verplichten om de strategische voorraden, die zij op last van de organisatie hebben aangelegd, aan te spreken. Dank zij de beslissing van de Organisatie van olie exporterende landen (OPEC) om de produktie op te voeren, is dat nog niet nodig. Maar het IEA voorziet in de laatste twee maanden van dit jaar, wanneer het verbruik van brandstoffen door het beginnende winterseizoen flink stijgt, toch een moeilijke situatie, zegt een woordvoerder van de organisatie. Mogelijk treedt er dan in sommige landen een zodanig tekort op dat alleen met noodmaatregelen een eerlijke verdeling is te realiseren.

In de Verenigde Staten, Japan en West-Duitsland worden volgens de woordvoerder van het IEA de strategische voorraden sinds enkele weken al niet meer aangevuld om de import zoveel mogelijk op de markt te brengen. Daarmee leveren deze grote consumptielanden, die ook de meeste olie importeren, al een bijdrage om de markt tot rust te brengen. Noorwegen, Canada en het Verenigd Koninkrijk hebben zelf zoveel olie dat ze netto exporteurs van het zwarte goud zijn, reden waarom ze nauwelijks strategische voorraden aanhouden.

In Nederland is de totale olievoorraad volgens een recente brief van minister Andriessen (economische zaken) aan de Tweede Kamer gelijk aan 162 dagen binnenlandse consumptie en 196 dagen netto import (invoer minus uitvoer). Het verschil tussen die getallen is te verklaren uit de olieproduktie in Nederland en op het Nederlandse deel van de Noordzee. Het gaat om ruwe olie en olieprodukten, omgerekend in olie-equivalenten, van in totaal 9,3 miljoen ton.

Van dat totaal is, conform de voorschriften van het IEA die zijn vastgelegd in de Wet Voorraadvorming Aardolieprodukten een hoeveelheid van 90 dagen netto import onze strategische voorraad. De minister van economische zaken heeft daar voor de zekerheid nog een marge van 20 procent (18 dagen netto import) bovenopgelegd.

Bijna 80 dagen import, ofwel 2,6 miljoen ton, met een waarde van een miljard gulden, ligt opgeslagen in afzonderlijke, verzegelde tanks die zijn gehuurd door de Stichting Centraal Orgaan Voorraadvorming Aardolieprodukten (COVA). De rest van de strategische voorraad wordt beheerd door de oliemaatschappijen en olie-opslagbedrijven.

Volgens ing. Hugo van Gulick, directeur van COVA, kan het grootste deel van de strategische voorraden, namelijk ten minste het deel dat de stichting beheert, in een noodsituatie direct beschikbaar komen.

Van Gulick zegt dat het beheer van al die volle tanks 'bepaald geen rustig bestaan is', al lijkt dat op het eerste gezicht wel zo. 'Het is een gigantische opdracht, want je moet voortdurend de kwantiteit en kwaliteit, maar ook de prijzen van alle produkten in de gaten houden. De waarde van de voorraad mag niet afnemen en de produkten moeten courant blijven. Als er loodvrije benzine op de markt wordt gebracht, moet je je benzine vervangen. Hetzelfde geldt voor dieselolie en huisbrandolie met een lager zwavelgehalte. De samenstelling van de voorraad verandert dus steeds. Wij zijn er tot nu toe nog steeds in geslaagd dat tegen verwaarloosbare kosten te doen, door gunstige vervangingsovereenkomsten af te sluiten.' Nederland is met een vrij gedetailleerde regelgeving voorbereid op verschillende mogelijke crisissituaties, zo blijkt uit het verhaal van Van Gulick. De raffinaderijen zijn verplicht van elke categorie brandstof een hoeveelheid die ze in 50 dagen verkopen in voorraad te houden. Bij een 'sub-crisissituatie' (een bepaald tekort aan brandstoffen) moet eerst de extra 20 procent voorraad beschikbaar komen die boven de 90 dagen netto import wordt aangehouden.

Is er sprake van een echte crisistoestand, dan kan de hele strategische voorraad worden ingezet. Daarbij kan de minister van economische zaken de oliemaatschappijen voorschrijven in het raffinageproces bepaalde hoeveelheden brandstoffen te produceren uit de beschikbare ruwe olie. Zou bijvoorbeeld Defensie veel vliegtuigen moeten gebruiken, dan moeten de raffinaderijen veel kerosine maken, maar is het voor de landsverdediging nodig dat alle Leopard-tanks uitrukken, dan is er een grote behoefte aan dieselolie.

Ing. Van Gulick staat aan het hoofd van een stichting die eigenlijk een bedrijf is, met een jaarlijkse omzet van 120 miljoen gulden. Dat zijn de exploitatielasten, die gedekt worden door de voorraadheffing. Deze is de afgelopen vier jaar herhaaldelijk verlaagd, van twee cent per liter aan de benzinepomp tot 1,2 cent nu.

Of hij nooit eens in de verleiding komt om met een klein deel van zo'n enorme plas olie in voorraad handel te drijven om winst voor de stichting binnen te halen? 'Nee, we doen niet aan commerciele deals. Je moet heel goed het moment van je aan- en verkopen bepalen, en je kunt natuurlijk geen zaken doen zonder enig risico. Maar deze voorraden moeten te allen tijde beschikbaar zijn en dat betekent dat je risico's tot het uiterste vermijdt. Over structurele verliezen, in het geval van een oliecrisis wanneer we de voorraden kwijtraken, maken we ons geen zorgen. In zo'n situatie wordt het zaakje verkocht en dan is de prijs altijd hoog. Na afloop van de crisis kun je meestal winst maken, want dan dalen de prijzen gewoonlijk.'

    • Theo Westerwoudt