Ziekjes

't Is weer hondenweer vanmorgen, Zei de gevlekte bruine hond. Vreemd, ik heb geen zin in opstaan, Voel ik me wel geheel gezond? Kijk eens even hoe het regent, Wat is er met mij aan de hand? Ik denk dat ik een beetje ziek ben, Ik blijf vandaag maar in mijn mand.

Jawel, ik heb natuurlijk plichten, Maar het ontbreekt mij aan verkwiktheid; Ik lijd aan arbeidsongeschiktheid En daarom kan ik niets verrichten.

Met het uur voel ik mij slomer: Ik moet mijn waakzaamheid verminderen Voor door het ijs gezakte kinderen; Gelukkig zeldzaam in de zomer.

't Is voor 't baasje even wennen: Inplaats van snuffelen en blaffen En een blokje om te rennen, Blijf ik hier rustig liggen maffen.

De kinderen zeggen: arme hond! Misschien is hij wel erg gewond, Kijk toch eens hoe stil hij ligt; Zie je de pijn op zijn gezicht? Nu ben ik eerlijk (mag ik hopen), En laat zien dat ik nog kan lopen; Maar om hun meelij te vergroten Hink ik soms even op drie poten.

Dan ga 'k weer liggen in mijn mand, Zo met mijn snoet hier op de rand, Om, als de kinderen passeren, Nog gauw een aai te incasseren.

Straks ben ik weer gezond en sterk, Dan ga 'k weer monter aan het werk; Maar daarmee wacht ik nu nog even, We hebben nog wel tijd van leven.

Dus leg ik door lamplicht overgoten Mijn kop te rusten op mijn poten; Dan voel ik een enorme vrede En deel die mijn omgeving mede.