'Word weer een beetje jezelf'; Emile Bernard in het Rijksmuseum Vincent van Gogh

Emile Bernard schilderde het primitieve dorpsleven, Bretonse boerinnen, wachtende prostituees en stillevens. Het liefst wilde hij gezien worden als vernieuwer van de schilderkunst. Toen hij veel omging met Gauguin ontwikkelden beiden een theorie over schilderkunst die het impressionisme verleden tijd moest maken. Toch bleef Bernard in zijn werk voortdurend van stijl wisselen waardoor wij ons nu afvragen: 'Wie was de echte Emile Bernard?'.

In het Van Goghmuseum in Amsterdam is een tentoonstelling van zijn werk te zien.

Emile Bernard is een schilder met wie ik geen raad weet. Na twee bezoeken aan de tentoonstelling in het Rijksmuseum Vincent van Gogh in Amsterdam blijft de uitgebreide hommage die hij daar krijgt, een mysterie. Is deze vriend van Paul Gauguin en van Vincent van Gogh een schilderkunstig omnivoor, een epigoon, eerder een dichter of een schrijver? Of is hij toch die vernieuwer geweest die de kunsthistorici zo graag in hem zien? Over zijn leven is genoeg bekend, dat is het probleem niet. Honderden catalogus-pagina's onthullen zijn vele stappen en misstappen. Een lastpost, die als zestienjarige met zijn leermeester al ruzie kreeg over een stilleven. Een onstuimig heerschap in de Parijse avant-garde, goed op de hoogte van de eigentijdse literatuur, van Baudelaire, Zola, Poe en Mallarme. Een man, die door zijn verbale capaciteiten 'de intelligentste van ons allen was', meende Picasso, die 'nergens voor terugdeinst', vond Gauguin in 1888. In datzelfde jaar werkte Bernard (1868-1941) nauw samen met Gauguin in het Bretonse Pont-Aven. Wat de impressionisten tot dan toe hadden gedaan vonden beiden maar oppervlakkig. Het afbeelden van alleen de natuur was inhoudsloos; de mens, het ding en het landschap moesten de kunstenaar ten dienste staan bij de uitbeelding van zijn dromen, zijn verlangens en zijn verdriet. Er was meer dan dat virtuoze vangen van zonlicht, wat Renoir deed, en er was meer dan die doodse stippeltjeskunst van Signac. De werkelijkheid moest een verbond aangaan, een synthese, met 'gevoel', 'abstractie' en 'essentie', begrippen waar de literaire symbolisten in Parijs mee schermden.

Bernard zou later alles op alles zetten hij antedateerde documenten om in de kunstgeschiedenis te worden bijgezet als de uitvinder van die synthese, het zogenaamde synthetisme. Het zag er namelijk in Pont Aven al snel naar uit dat de twintig jaar oudere Gauguin met de eer ging strijken. Ten onrechte, vond Bernard, want hijzelf was degene die op aanraden van Van Gogh zijn ideeen bij Gauguin ventileerde. Behalve de reputatie van genie, verwierf hij dus ook die van intrigant en bedrieger.

Knipsels

Eigenlijk heeft het ware schildersleven van Emile Bernard niet langer geduurd dan een jaar of zeven, van 1886 tot circa 1893. Het wemelde in kunstenaarskringen van de rivaliserende -ismen japonisme, naturalisme, pointillisme, neo-impressionisme, symbolisme, cloisonnisme. Vooral dat cloisonnisme, geent op de Japanse prent met zijn afgebakende vlakken, egale kleurgebruik en heldere contouren, sprak Bernard wel aan. Een van de eerste Pont-Aven schilderijen van Bernard, Bretonse vrouwen in de wei witgekapte figuren als knipsels tegen een okergele achtergrond is er een sprekend voorbeeld van. Bernard hield van 'de wildernis en het primitieve leven' in Bretagne: 'Als mijn klompen op de keien weerklinken, dan hoor ik de gedempte, doffe en krachtige toon die ik mijn schilderijen probeer te bereiken'.

Uit diezelfde jaren dateren de ferme portretten van zijn grootmoeder, zijn steun en toeverlaat, en dat van Pere Tanguy, pleitbezorger van de impressionisten. Rechttoe-rechtaan neergezette monumenten tegen een Matisse-achtig decor.

Van Gogh was over deze doeken, die bij het begin van de Amsterdamse tentoonstelling zo veelbelovend zijn, vol bewondering. Datzelfde geldt voor de serie aquarellen, onder de titel In het bordeel, een museum-etage hoger tentoongesteld. Vluchtige observaties in inkt van zich wassende en wachtende prostituees, aandoenlijk nonchalant neergezet en voorzien van Bernards laatdunkende commentaar; zinnen, die niet stroken met het plezier waarmee ze gemaakt moeten zijn.

Van Gogh kreeg de bordeelaquarellen cadeau. Vooral het poedelende naakt viel bij hem in de smaak. Hij volgde de 'kleine Bernard' vanuit Arles op de voet en schreef zulke aardige, bemoedigende brieven, dat ze je bij lezing jaloers maken. En Gauguin, in Bretagne? Die werd eveneens meegesleept door Bernards gedrevenheid; hij boog zich over dezelfde thema's, gemoedelijke plattelandsscenes, en maakte zich datzelfde synthetisme rap eigen.

De oogstende boeren en hun vrome vrouwen kom je, nog soberder, tegen op Bernards kleine houtsneden en op de experimentele 'zink-litho's', die meestal slecht zijn afgedrukt. Naar Richard Wagners ideeen over het Gesamtkunstwerk maakte hij omstreeks 1892 ook nog kamerschermen, ontwierp een glas-in-lood raam en een aantal borduurwerken met gestileerde boeketten, hakte klompen en kastreliefs. Geen ambachtelijke hoogstandjes, maar folkloristisch aandoende produkten van een kunstenaar die zich in alle windrichtingen wilde ontwikkelen.

Baadsters

Niet lang daarna ging er iets mis met Bernard. Hij ging zwalken. Hij nam de streepjestechniek van Cezanne over en probeerde diens baadsters en appel-stillevens te benaderen. Op andere doeken komen we het gloeiende palet tegen van Gauguin, de lichtvoetige, exotische toets van Matisse en de plastische verfstructuren van Van Gogh. Een moeizaam zoeken naar een eigen stijl. Courbet, Puvis de Chavannes, Bonnard: vele handen laten zich in flarden op de tentoonstelling in Amsterdam herkennen. En bij het zien van de stilistisch totaal verschillende zelfportretten kan je je alleen nog maar afvragen: 'Wie was toch de echte Emile Bernard?' Na een lang leven liet hij maar liefst 1.550 schilderijen en vele boekillustraties na. Driekwart daarvan heeft niets meer te maken met het Bretonse landleven en met die Parijse cafe- en bordeelbezoeken in gezelschap van Toulouse Lautrec en Louis Anquetin. Ze ontstonden allemaal na 1893, na het besluit om een streng rooms-katholiek leven te leiden. Kort daarop zou hij zich jarenlang als 'dichter' terugtrekken in Egypte, op zoek naar de zuiverheid die Gauguin op Tahiti dacht te vinden, en, via Venetie, kwam hij uiteindelijk weer thuis, in Parijs. Zijn bekering was nog geen feit, of Bernard ging vanuit zijn religieuze en reactionaire levensvisie flink tekeer tegen de eens zo bejubelde schilderkunstige anarchie van zijn voormalige vrienden. Vincent van Gogh deugde jaren eerder al niet meer, want die had in een degelijk onderbouwde brief het lef gehad om Bernards eerste Christus-schilderij 'een nachtmerrie' te noemen, 'een cliche'. 'Word weer een beetje jezelf!', zo luidde het advies uit Arles. Dat was reden genoeg, blijkbaar, om een punt achter de vriendschap te zetten, hoewel de waardering voor Van Goghs werk aanvankelijk niet verdween. Als een van de eersten publiceerde Bernard namelijk enkele brieven van hem en kort na zijn dood in 1890 richtte hij een tentoonstelling van zijn schilderijen in.

Alleen Cezanne en Odilon Redon konden uiteindelijk nog op enige sympathie rekenen. Als bekeerling produceerde Bernard zelf kunstige, zielloze doeken en tekeningen, waarvoor onder meer het werk van Michelangelo en dat van de middeleeuwse primitieven model stond. Het Van Goghmuseum laat uit deze latere fase voornamelijk tekeningen zien. Ze zijn net zo vervelend als de fragmenten uit zijn artikelen van destijds. Een pedante zeurpiet, die eigenlijk niemand goed genoeg vond, die snel oordeelt over mensen en hun werk, die zanikt over goddelijke inspiratie en die pleitte voor een 'aristocratie van kunstenaars', waarin voor joodse mensen en andere 'vreemdelingen' geen plaats was.

Lezend in de catalogus is de persoon Bernard interessanter geworden dan zijn onsamenhangende nalatenschap. In zijn leven schuilt de tragiek van een radicaal, maar mislukt genie, dat niet op zichzelf durfde te vertrouwen. Voortdurend zocht hij zijn toevlucht bij bewonderde collega's, om tenslotte beschutting te vinden binnen strenge dogma's. Een psychologische verklaring ligt, aldus de catalogus, misschien in het feit dat hij als kind, thuis in Lille, leed onder te weinig aandacht. Zijn ouders ontfermden zich vooral over zijn ziekelijke zusje Madeleine. Om de daaruit voortgekomen onzekerheid te compenseren, zocht hij houvast bij anderen. De weg die hij als kunstenaar strikt alleen had moeten bewandelen, werd daardoor steeds mistiger, lijkt het. Geloof en traditie brachten uitkomst. Onwillekeurig doen leven en werk van deze pionier van het synthetisme laten we hem toch maar zo noemen denken aan Jan Verkade, aan die zonderlinge Nederlandse 'Nabi' die in diezelfde tijd in Parijs en Bretagne rondzwierf, die zich ook tot een streng religieus leven voelde aangetrokken, die eveneens heel wat afreisde en die net zo van de ene naar de andere schilderstijl zwalkte. Het Vincent van Goghmuseum wijdde begin vorig jaar een tentoonstelling aan Verkades werk. Terugdenkend aan dit overzicht, herinner ik me er nog maar weinig van. Waarschijnlijk is het werk van Emile Bernard een zelfde lot beschoren, want hij kon of durfde zich, in verf althans, niet echt laten kennen. 'In wezen een heel grote persoonlijkheid', schreef Van Gogh in 1888 over zijn toen pas twintig jaar oude collega. De voorzichtige twijfel, die schuilt in dat 'in wezen', getuigt van veel mensenkennis.