Pocket

'Ik kan mij goed voorstellen hoe vervelende boeken ontstaan', laat Karel van het Reve iemand zeggen in zijn roman Nacht op de kale berg, 'men komt er al als men over iets bezig is automatisch toe ook belendende onderwerpen aan te snijden'.

Deze roman, zijn tweede, uit 1961, hangt zelf ook van belendende onderwerpen aan elkaar, zonder overigens vervelend te zijn. De even avontuurlijke als vermakelijke geschiedenis die Van het Reve hier opdist, is mooi rond. Zij vangt aan en eindigt op een onherbergzame camping in de Ardennen. Er treedt een personage in op, Elsje Beuler, dat samenspant met zekere Wilhelmus, 'millioenen-studien' worden ontvouwd en succesvol in de praktijk gebracht. En passant wordt ook nog een religieuze beweging uit de grond gestampt met 1200 aanhangers en een Alwaardige, die de kas van de beweging krijgt te beheren. 'Ik snuffel de laatste tijd wel eens in theologische geschriften', zo merkt de nogal eigenwijze stichter van de beweging op, 'om te zien hoe die andere jongens het doen.'

Nacht op de kale berg (Querido, f. 12,50) kan, behalve als jongensboek, ook als liefdesroman worden gelezen. Op de achtergrond is steeds een bekoorlijke jongedame aanwezig, die echter zelfs niet voor een miljoen te vermurwen blijkt. Een echte liefdesroman is Het jaar van de kreeft van Hugo Claus, die voor de 24ste keer werd herdrukt (De Bezige Bij, f. 10, -). 'Een romance', zo luidt de ondertitel, al moet men zich daarbij weer geen al te romantische voorstelling maken. Er zijn te veel onverzoenbare tegenstellingen. Een welgestelde, keurige man raakt verliefd op een slonzige, slecht gemanierde kapster, die verslaafd is aan allerlei pillen en drank en in een meer of minder asociaal milieu verkeert. Tegenover zijn hartstocht en vasthoudendheid stelt zij veel lauwheid en lethargie. Helemaal tragisch is deze romance desondanks niet en de droge, bijna zakelijke toon en stijl lijken dat te bevestigen omdat de noodzaak en charme van de liefde juist liggen in de onvervulbaarheid ervan. Als motto voor zijn verhalenbundel Moedwil en misverstand (De Bezige Bij, fl.10, -) gebruikte Willem Frederik Hermans een uitspraak van Freud: 'Das Ziel des Lebens ist der Tod'. Het hoeft dan ook niet te verbazen dat bijna al deze vroege verhalen een dodelijke afloop hebben, veelal ten gevolge van moord of zelfmoord. Zijn mensenschuwe verhaalfiguren voelen zich nog het meest op hun gemak temidden van machines of van een winters, onbeweeglijk landschap. Van levensvreugde en vertrouwen in de medemens zijn zij geheel verstoken. Het mooiste en treurigste verhaal uit deze bundel is wel 'Elektrotherapie', een naturalistisch aandoende vertelling waarin deze onvergetelijke zin voorkomt: 'Toen trok hij de honderdduizend op een heel lot en verwekte een zoon die op aandringen van zijn vrouw Ronald werd genoemd.' Het leven van de aldus verwekte zoon is even kort als schrijnend: een leven vol pesterijen, slaag, vernederingen en valse beschuldigingen waartegen hij geen enkel verweer heeft. Hermans vertelt het verhaal zo droog, dat men niet de kans krijgt zich al te zeer met deze Ronald te vereenzelvigen, die ten einde raad zichzelf op een stopcontact aansluit.

Zijn wanhoopsdaad krijgt een nuchter commentaar: 'De stroom heeft hem onmiddellijk en pijnloos gedood, wat bij zijn primitieve wijze van doen en de gebruikelijke niet zeer hoge netspanning, niet eens vanzelf spreekt.' In de Meulenhoff Pocket Editie verscheen een herdruk van Moskou aan zee, de stukken die Raymond van den Boogaard schreef tijdens zijn vijfjarig correspondentschap in de Sovjet-Unie (f. 19,90). Zijn heldere beschouwingen, of zij nu betrekking hebben op de Russische politiek, cultuur, geschiedenis of op het leven van alledag, getuigen alle van een prettig soort monterheid en distantie. Hij heeft het wel, en met veel oog voor het komische detail, over de bureaucratie, de lange rijen en het klantonvriendelijke gedrag van agenten, taxichauffeurs en douane-personeel, maar niet om zich daar persoonlijk over te beklagen. Met vrij veel sympathie en mededogen schrijft hij zelfs over allerlei dragers van vervelende ambten, zoals over de bewaker van zijn flat. 'Nog een andere keer heb ik hem de volle autoriteit van pet en uniform in de strijd zien werpen. Dat was toen op de kinderspeelplaats van de flat een vechtpartij was uitgebroken tussen de kleine Europeaantjes, Afrikaantjes en Aziaatjes. In krachtige Russische bewoordingen stuurde hij de deelnemers aan deze rassenrel terug naar moeder.' In het toen nog tsaristische Litouwen speelt zich een deel af van de familiegeschiedenis die Abel Herzberg beschrijft in Brieven aan mijn kleinzoon, die nu als Salamander hun 13de druk beleven (Querido, fl.12,50). Deze brieven, gericht aan een achtjarige, zijn van een grote eenvoud. Ze geven een interessant en vaak ontroerend inzicht in het leven van vrome Oosteuropese joden, die door de pogroms gedoemd waren te vluchten. De meesten waren erg arm, zo arm dat ze zichzelf ironisch 'Luftmenschen' noemden. Met veel begrip en liefde beschrijft Herzberg de gestrengheid waarmee zijn grootvader in Amsterdam vasthield aan zijn chassidische geloof, een geloof dat buitenstaanders niet zelden wantrouwig stemt.

Zo'n buitenstaander is bij voorbeeld Ethel Portnoy. Zij beschrijft in haar reisverhalenbundel Vluchten (Meulenhoff, f. 17,90) niet alleen een reis met de Orient-Express, een bezoek aan Rome, Turkije en Disneyland, maar doet ook verslag van haar ontmoeting met geisoleerd levende chassidim in New Square in de staat New York. 'Levende fossielen', noemt zij ze, 'wezens uit een ander tijdperk in hun archaische kleding, met hun kapsels uit de bronstijd.' Zij let vooral op de nederige positie die voor vrouwen in dit geloof is weggelegd. Per traditie mogen zij niet studeren of een vak uitoefenen, maar is de zorg voor man en kinderen hun enige taak. Het reisverhaal dat zich in verre, moeilijk bereikbare landen afspeelt, doet het goed. Terug naar Kongo van de journaliste Lieve Joris is na enkele jaren alweer aan zijn achtste druk toe (Meulenhoff, f. 19,90). Zij trad in het voetspoor van haar 'heeroom' Houben, een missionaris, die in de jaren twintig een van de vele Kongogangers was. Aanvankelijk trekt zij van de ene missiepost naar de andere en bezoekt zo ook het dorpje Yangapompe, in het hart van 'de brousse', zoals het Zairese oerwoud wordt genoemd. De in grote armoede levende dorpelingen herinneren zich nog 'tata Houben', en verwachten nu veel van zijn nazaat 'mama Lieve', die zich ineens in een delicate positie bevindt. Zij is immers alleen maar gekomen om te kijken, en niet om de mensen met raad of daad bij te staan. Later trekt ze op eigen houtje verder en belandt zo nog bijna in de gevangenis met een blanke oud-koloniaal. Een flinke som Belgische franken blijkt nog steeds uitkomst te bieden, ook al is Zaire al bijna dertig jaar onafhankelijk.

Het personeel is jong en nog grotendeels onbedorven. 'Ik wil zo graag iets goeds doen', zegt een vrouwelijke arts wat hulpeloos. Die idealistische instelling wordt gedeeld door al haar collega's. Ze willen iets goeds doen, ondanks een pover salaris en ten koste van veel nachtrust en een sociaal leven. Het zijn goede mensen. Dat klinkt misschien wat klef, wat simpel ook, maar het maakt precies de grote kracht van de serie uit. Ontroerend is bijvoorbeeld om te zien, hoe de norse chirurg in opleiding, gelouterd door de dood van zijn moeder, aan het sterfbed van een aidspatiënt plaatsneemt en zijn hand in de zijne neemt.