Onzekerheid is op fregat 'het rottigste'

A/B PIETER FLORISZ, Suezkanaal, 31 aug. Bang zijn zij voor de duvel niet en de saamhorigheid is nog nooit zo groot geweest. Dus daar niet van. Maar toch zijn Gert en Ernst en Ingo en Jimmy en Rik en Linda niet helemaal gerust. Laten we eerlijk zijn: dit is niet precies waarom ze bij de marine hebben getekend.

Zij zijn gaan varen omdat hun vaders en broers en neven en ooms het deden, of omdat ze de televisieserie 'Alle Hens' zo mooi hebben gevonden. Zij hebben voor de marine gekozen omdat het gezelliger is dan vissen of de koopvaardij. Daar tref je kerels van dertig of nog ouder, hier ben je lekker onder elkaar. Een tocht van een paar maanden naar de West of naar Australie betekent elke week vier dagen varen en drie dagen stappen. Dat doe je voor je lol.

Maar terwijl de Pieter Florisz gisteravond vanuit de Middellandse Zee het Suezkanaal binnenvoer, beseften zij opeens allemaal dat aan de andere kant de Rode Zee lag en daarachter de Golf, het terrein waar misschien straks een oorlog wordt uitgevochten.

Sinds zij vorige week maandag uit Nederland vertrokken, hebben zij nog niet erg veel tijd gehad om over die oorlog na te denken. Achter elkaar door hebben zij geoefend. Met de nieuwe gasmaskers en de nieuwe pakken waar 'juni 1966' op staat en die bescherming moeten bieden tegen de chemische wapens van Irak. Met de Tartar en de Seasparrow, twee soorten luchtdoelraketten, en met de 'goalkeeper', het nieuwe automatische afweersysteem voor de korte afstand. En met elkaar, om alle leden van de bemanning op elkaar ingespeeld te laten raken. Natuurlijk hebben zij de uit Nederland gefaxte knipselkrant wel ingekeken en de officieren zijn bijna dagelijks langs geweest om de politieke situatie toe te lichten, maar pas na vrijdag wordt het ernst. Dan draaien zij alle dagen oorlogswacht. Het rottigste is eigenlijk de onzekerheid. Wat gaan zij straks doen in de Rode Zee, de Golf van Oman, de Straat van Hormuz of de Golf? Schepen aanhouden en de lading controleren? De Amerikanen helpen in geval van een conflict? Of alleen maar wat rondvaren en rapporteren? 'Zo ergens en ooit, dan geldt hier en nu dat internationale samenwerking is geboden', zei minister Ter Beek van defensie bij het afscheid uit Nederland. Wat die samenwerking inhoudt weten de bemanningen van de Pieter Florisz en het tweede Nederlandse fregat, de Witte de With, niet. Daar zijn zij in Den Haag nog steeds niet over uitgepraat. 'De politieke besluitvorming in Nederland en daarbuiten geeft geen richting aan wat we kunnen verwachten', zegt kapitein ter zee A. van Gurp, bevelhebber van beide schepen, diplomatiek. 'Als militair geef ik natuurlijk de voorkeur aan een eenduidige leiding', voegt hij daaraan toe, wanneer hem naar de coordinatie van alle buitenlandse oorlogsbodems in de Golf wordt gevraagd.

Ook die eenduidige leiding is er nog niet, want het is nog niet zeker hoe de toestand zich ontwikkelt. 'Crisis is voor ons lastiger dan oorlog', besluit Van Gurp. 'Als het eenmaal oorlog is dan gaat het simpel 'door het gaatje'.' De loods die de Pieter Florisz door het kanaal moet begeleiden, heeft een flinke ploeg andere Egyptenaren meegebracht. Twee elektriciens om de verplichte schijnwerper voorop het schip te installeren en een stel arbeiders die voor het afmeren moeten zorgen maar zich meteen op het dek hebben geinstalleerd met allerhande koopwaar: koperen borden van echt blik, goedkope schroevedraaiers, papyrusrollen van echt papier. De bemanning is niet erg geinteresseerd. Halverwege de nacht vragen de handelaars dekens om te gaan slapen.

Benedendeks ziet de cafetaria van de matrozen er uit als een jeugdhonk. Rode sfeerverlichting, een tapkast met twee bierpompen, symfonische rock uit de luidsprekers en op de imitatie-bakstenen muur straatnaambordjes die uit havensteden van over de hele wereld zijn geleend. Gert, Ernst, Ingo, Jimmy, Rik en Linda bestellen nog een arm vol bier voor zichzelf en voor Benny, de eerste gewonde van de tocht. Hij heeft zijn arm gebroken. Geintje. Bij een stoeipartij. 'Het was natuurlijk makkelijker geweest als we voor ons vaderland gingen vechten', peinst Rik. 'Daar hoef je niet zo over na te denken.'

'Nu is het meer iets economisch', meent Ernst. Volgens Gert had hij misschien wel met een trucje onder deze missie uit kunnen komen. Hij was net terug van een oefening en zou gaan samenwonen met zijn vriendin. Maar trucjes horen niet bij zijn idee van de marine. 'Je kunt niet iemand anders, die misschien ook geen zin heeft, in jouw plaats laten gaan', vult Ingo aan.

Linda zegt niet zoveel. Zij is een van de 22 meisjes aan boord, die, evenals alle mannelijke collega's, vinden dat er al veel te veel ophef over hun aanwezigheid is gemaakt.

Tegenover de cafetaria van de manschappen is de Gouden Bal, de gelagkamer van de onderofficieren, waar om drie uur 's nachts nog de oefening van gisteren wordt doorgenomen. 'Ik was voor tachtig procent verbrand', vertelt Willem, de bottelier. 'Logisch dat ze besloten om me te laten liggen, want in een oorlog lap je eerst de mannen met de beste levenskansen op. Ik ben dus doodgegaan. Nee, depressief word ik daar niet van.' Een half uur later komt het gesprek onvermijdelijk toch op het doel van de reis. De stemmen verheffen zich. 'Het is natuurlijk wel zo dat we hier een kunstje opknappen voor het grootkapitaal', zegt een van de onderofficieren. 'Niet erg, hoor. Ik vaar heus wel mee. Maar mooi dat het wel zo is.'

'Rijd jij auto?' repliceert een ander opgewonden. 'Rijd jij auto? Ik wel, en dat wil ik over twintig jaar nog steeds kunnen doen.'

'Ik ook, ik ook. Maar het gaat dus om de olie. Die yanken zijn nu eenmaal niet erg heilig. Als zij morgen weer zo'n pestpokkenlandje als Grenada binnenvallen, rukken wij heus niet naar Zuid-Amerika uit. Dan draaien we gewoon oefening Teamwork op de Noordzee en zijn we met twee weken thuis.' De minister heeft zijn manschappen in de Golf beloofd dat zij voor kerstmis thuis zijn, maar de marinestaf gaat voor de zekerheid van eind februari uit. Een sinterklaaspak en kerstversiering zijn daarom al aan boord gebracht.

Tegen de ochtend naderen de Nederlandse fregatten met twee Britse bevooorradingsschepen, die vanaf Gibraltar zijn meegevaren, de Bittermeren, waar moet worden gewacht op het passeren van een konvooi dat in tegenovergestelde richting door het kanaal vaart. De schijnwerpers verlichten zwak de beide oevers. Het is nevelig en koud. Op de voorplecht liggen een paar matrozen die niet kunnen slapen. Een van hen is Suez al vaker gepasseerd. 'Ik hoop dat het de allerlaatste keer is, ' moppert hij. 'Hoef jij dan niet meer terug naar huis?' vraagt iemand uit het donker naast hem. 'Correctie. De een na laatste keer. De laatste keer naar de andere kant'.